Belanghebbende verkreeg op 8 december 2022 een woning waarvoor hij het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting aangaf en betaalde. De inspecteur legde echter een naheffingsaanslag op omdat belanghebbende de woning niet als hoofdverblijf gebruikte. Belanghebbende betoogde dat onvoorziene omstandigheden na de verkrijging hem verhinderden de woning als hoofdverblijf te gebruiken.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende niet in de woning woonde, maar dat omstandigheden zoals beëindiging van zijn relatie, financiële problemen en mentale problematiek zich na de verkrijging voordeden. Deze omstandigheden waren zwaarwegend en maakten het redelijkerwijs onmogelijk om de woning als hoofdverblijf te gebruiken.
Op grond van artikel 15a, vijfde lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) kan het verlaagde tarief toch worden toegepast bij dergelijke onvoorziene omstandigheden. De rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht.