ECLI:NL:RBZWB:2026:4879

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446439 / KG ZA 26-156 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod op onrechtmatige uitlatingen en AI-filmpjes tegen ambtenaren gemeente Schouwen-Duiveland

De gemeente Schouwen-Duiveland vordert in kort geding dat gedaagde wordt veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van onrechtmatige uitlatingen op social mediakanalen waarin ambtenaren bij naam worden genoemd en beschimpt, alsmede het verbod op het doen van nieuwe uitlatingen en het verspreiden van AI-gegenereerde filmpjes met geweld tegen bestuurders. Gedaagde is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, waardoor verstek is verleend en zijn ingediende stukken buiten beschouwing zijn gelaten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van de ambtenaren, waaronder hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zwaarder wegen dan het recht op vrije meningsuiting van gedaagde. De uitlatingen zijn voldoende aannemelijk onrechtmatig, mede omdat het doel van het aan de kaak stellen van misstanden ook zonder het noemen van namen kan worden bereikt. Ook de AI-gegenereerde filmpjes die geweld suggereren tegen de burgemeester zijn onrechtmatig.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot verwijdering van de uitlatingen en legt een verbod op om soortgelijke uitlatingen en filmpjes in de toekomst te plaatsen. Tevens wordt een dwangsom van €250 per overtreding opgelegd, met een maximum van €25.000. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot verwijdering van onrechtmatige uitlatingen en verboden nieuwe uitlatingen en AI-filmpjes te verspreiden, onder dwangsom en met proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/446439 / KG ZA 26-156
Vonnis in kort geding van 2 juni 2026
in de zaak van
GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND,
te Zierikzee,
eisende partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. I.P. de Groot,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 april 2026, met producties 1 t/m 9,
- de aanvullende productie 10 van de Gemeente.
1.2.
[gedaagde] heeft verzocht om digitaal aan de mondelinge behandeling van de zaak deel te nemen. Hoewel de voorzieningenrechter dit verzoek in beginsel heeft toegestaan, heeft de Gemeente daartegen bezwaar gemaakt. In reactie op het bezwaar heeft [gedaagde] verklaard dat hij voornemens was om de zitting op te nemen. Omdat het opnemen van zittingen zonder voorafgaande toestemming niet is toegestaan en niet uitgesloten kan worden dat [gedaagde] de zitting zou opnemen als hij deze digitaal bijwoont, heeft de voorzieningenrechter beslist dat de mondelinge behandeling alsnog fysiek dient te worden bijgewoond.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Namens de Gemeente en door mr. De Groot zijn spreekaantekeningen overgelegd. [gedaagde] is niet verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend. Conform artikel 11.2 van het procesreglement wordt op de door [gedaagde] ingediende stukken geen acht geslagen.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is woonachtig in de gemeente Schouwen-Duiveland.
2.2.
[gedaagde] heeft op social mediakanalen uitlatingen geplaatst. In deze uitlatingen noemt [gedaagde] werknemers van de Gemeente bij naam – onder meer – leugenaars. Bij sommige uitlatingen heeft [gedaagde] ook foto’s van de betreffende werknemers geplaatst.

3.Het geschil

3.1.
De Gemeente vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:
I) om het binnen twee dagen na betekening van het vonnis;
- alle uitlatingen die in productie 2 van de dagvaarding zijn genoemd, te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,
- alle uitlatingen die nog na 18 maart 2026 op social mediakanalen zijn geplaatst waarin namen, foto's en/of andere persoonsgegevens van ambtenaren worden genoemd te verwijderen en verwijderd te houden,
- de in de dagvaarding genoemde filmpjes waarin geweld tegen de burgemeester wordt uitgeoefend te verwijderen en verwijderd te houden,
- hem te verbieden om in de toekomst uitlatingen op social mediakanalen te plaatsen, dan wel geschriften te verspreiden waarin namen van ambtenaren en/of andere persoonsgegevens worden genoemd, althans waarin ambtenaren met naam worden genoemd of zodanig worden omschreven dat zij tot een specifieke ambtenaar herleidbaar zijn, waarin die ambtenaren voor leugenaar worden uitgemaakt dan wel op andere beschuldigende/smadelijke/lasterlijke/sarcastische wijzen worden aangeduid en/of worden beschimpt,
- hem te verbieden om AI-gegenereerde filmpjes te produceren en via social mediakanalen te publiceren waarin geweld - in welke vorm dan ook - wordt toegepast tegen figuren die als bestuurders of ambtenaren van de Gemeente te herkennen zijn,
dit alles op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of per overtreding, met een maximum van € 25.000,-,
II) tot betaling van de proceskosten.
3.2.
De Gemeente legt aan de vorderingen – kort gezegd – het volgende ten grondslag. De Gemeente komt op voor de belangen van haar werknemers. De structurele uitlatingen van [gedaagde] zijn ongefundeerd, beschuldigend en intimiderend van aard, zonder dat daarvoor noodzaak of een rechtvaardigingsgrond bestaat. [gedaagde] schendt hiermee de eer, goede naam en privacy van haar werknemers. De belangen van de werknemers van de Gemeente wegen zwaarder dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe weigert [gedaagde] om de uitlatingen te verwijderen.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen, zodat tegen hem verstek is verleend.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de Gemeente daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Belang van de Gemeente
4.3.
De Gemeente komt in deze procedure (onder meer) op voor de belangen van haar werknemers, die volgens haar geschaad worden door de uitlatingen van [gedaagde] . De Gemeente komt de bevoegdheid tot het instellen van een vordering toe zowel uit hoofde van het belang dat zij zelf heeft bij de bescherming van haar werknemers, als ter bescherming van die werknemers, mede op grond van goed werkgeverschap [1] . Die bevoegdheid bestaat dus ook buiten lastgeving en volmacht door de werknemer. Daarbij is mede van belang dat het voor de werknemers belastend kan zijn zelf in rechte op te treden, onder meer in verband met de mogelijke publicitaire gevolgen daarvan [2] .
Spoedeisend belang
4.4.
Uit de overgelegde stukken en de nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde] , na te zijn gedagvaard, is doorgegaan met het blijven plaatsen van berichten waarbij de namen van ambtenaren van de Gemeente worden genoemd. Het spoedeisend belang van de Gemeente, voor zover dit niet al uit de aard van de vorderingen volgt, is daarmee gegeven.
Onrechtmatige uitlatingen?
4.5.
Vraag is of de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn. Aan de ene kant heeft [gedaagde] het recht op vrije meningsuiting, aan de andere kant hebben ambtenaren van de Gemeente het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Voor het antwoord op de vraag welk recht zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welke van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.
4.6.
De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de uitlatingen van [gedaagde] , zoals genoemd in productie 2 van de dagvaarding, onrechtmatig zijn. Zij overweegt daartoe dat de belangen van de ambtenaren van de Gemeente zwaarder wegen dan het recht op vrije meningsuiting van [gedaagde] . De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat het voortdurend plaatsen van uitlatingen, waarbij ambtenaren met naam worden genoemd en voor van alles worden uitgemaakt, te ver gaat. Het blijkbare doel van [gedaagde] om kennelijke misstanden aan de kaak te stellen kan ook worden bereikt zonder het noemen van de namen van de betreffende ambtenaren. Het gaat immers niet om publieke personen, zodat de voorzieningenrechter zwaar gewicht toekent aan de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Hoewel [gedaagde] zijn recht op vrije meningsuiting heeft, mag dat niet ten koste van anderen gaan. En ook al heeft [gedaagde] op enig moment zijn uitlatingen aangepast in die zin dat slechts de voornaam met de eerste letter van de achternaam wordt genoemd, schiet hij daarmee zijn kennelijke doel voorbij. In samenhang met zijn eerdere berichtgeving zijn de berichten nog steeds herleidbaar naar specifieke ambtenaren van de Gemeente.
4.7.
Voor wat betreft de met AI-gegenereerde filmpjes geldt dat deze uitlatingen betrekking hebben op de burgemeester van de Gemeente. De Gemeente erkent dat hij als publiek persoon meer heeft te dulden, maar voert aan dat ook hiervoor geldt dat er grenzen aan het recht op de vrije meningsuiting van [gedaagde] zitten. De voorzieningenrechter stelt vast dat deze twee uitlatingen de suggestie wekken dat de burgemeester wordt gearresteerd. Deze uitlatingen, die met behulp van AI zijn gegenereerd, zijn niet op enige feiten gebaseerd. Voldoende aannemelijk is dat in een eventuele bodemprocedure wordt geoordeeld dat deze uitlatingen het recht op bescherming van eer en goede naam van de burgemeester van de Gemeente aantasten. Daarmee zijn deze uitlatingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook onrechtmatig.
4.8.
De Gemeente heeft voor wat betreft voornoemde filmpjes een afzonderlijke verwijdering gevorderd. De voorzieningenrechter merkt op dat deze ook als uitlating staan genoemd in productie 2 van de dagvaarding. In die zin is dus een dubbele verwijdering gevorderd. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom slechts eenmaal tot verwijdering veroordelen.
4.9.
Het voornoemde houdt in dat [gedaagde] alle uitlatingen zoals genoemd in productie 2 van de dagvaarding en de uitlatingen die na 18 maart 2026 zijn geplaatst, dient te verwijderen. Daarbij wordt het [gedaagde] verboden om in de toekomst uitlatingen op (social) mediakanalen te doen die tot een specifieke ambtenaar te herleiden zijn en waarin zij voor leugenaar worden uitgemaakt of op andere manieren zoals in het dictum genoemd worden aangeduid. Ten slotte wordt het [gedaagde] verboden om AI-gegenereerde filmpjes te produceren en via social mediakanalen te publiceren waarin geweld wordt toegepast tegen figuren die als bestuurders of ambtenaren van de Gemeente te herkennen zijn.
Dwangsommen
4.10.
De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen zoals gevorderd, temeer nu de onderhavige procedure [gedaagde] niet heeft weerhouden om door te blijven gaan met het plaatsen van uitlatingen op social mediakanalen.
Proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van de Gemeente worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
760,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.837,02

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] alle uitlatingen die in productie 2 van de dagvaarding zijn genoemd te (doen) verwijderen en verwijderd te houden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om alle uitlatingen die na 18 maart 2026 op Facebook, X, YouTube, Instagram en/of andere social mediakanalen zijn geplaatst waarin namen, foto's en/of andere persoonsgegevens van ambtenaren van de Gemeente worden genoemd te verwijderen en verwijderd te houden,
5.3.
verbiedt [gedaagde] om in de toekomst uitlatingen op Facebook, X, YouTube, Instagram en/of andere (social) mediakanalen te plaatsen, dan wel geschriften te verspreiden waarin namen en/of andere persoonsgegevens van ambtenaren van de Gemeente worden genoemd, althans waarin ambtenaren van de Gemeente met naam worden genoemd of zodanig worden omschreven dat zij tot een specifieke ambtenaar herleidbaar zijn, waarin die ambtenaren voor leugenaar worden uitgemaakt dan wel op andere beschuldigende/smadelijke/lasterlijke/sarcastische wijzen worden aangeduid en/of worden beschimpt,
5.4.
verbiedt [gedaagde] om AI-gegenereerde filmpjes te produceren en via social media-kanalen te publiceren waarin geweld - in welke vorm dan ook - wordt toegepast tegen figuren die als bestuurders of ambtenaren van de Gemeente te herkennen zijn,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij niet aan de veroordelingen genoemd onder 5.1 t/m 5.4 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 1.837,02, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Hoge Raad 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:569, r.o. 3.4.3.