ECLI:NL:RBZWB:2026:4880

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
24/7168 WET
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 1 WjsgArt. 2 WjsgArt. 20 WjsgArt. 39k Wjsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet-betaling dwangsom en overschrijding redelijke termijn inzake Wjsg-verzoek

Eiser verzocht het college om inzage in zijn strafvorderlijke gegevens op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het college gaf deels inzage, maar stelde zich op het standpunt dat niet alle gegevens verstrekt hoefden te worden en weigerde betaling van een verbeurde dwangsom.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is voor het niet betalen van de dwangsom van € 1.442,-, omdat het college te laat een besluit nam op het bezwaar. Voor het overige is het beroep ongegrond, onder meer omdat de zoekslag naar gegevens voldoende was en het recht op een volledig dossier niet bestaat.

Daarnaast is de redelijke termijn van behandeling overschreden met drie maanden, waardoor de Staat een immateriële schadevergoeding van € 500,- moet betalen. Het college moet ook het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

De rechtbank wijst het standpunt van het college af dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn omdat de gemachtigde geen advocaat is. De gemachtigde was immers door eiser schriftelijk gemachtigd.

De uitspraak bevestigt de rechten van betrokkenen op tijdige besluitvorming en correcte betaling van dwangsommen bij Wjsg-verzoeken.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het niet betalen van de dwangsom en overschrijding redelijke termijn, met toekenning van dwangsom, schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

het college van procureurs-generaal (het college), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2] )
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarbij aan eiser uitsluitsel is gegeven over de verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het beroep van eiser slaagt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte heeft nagelaten een dwangsom te vergoeden. Eiser krijgt in zoverre gelijk. Het beroep is gegrond voor zover het de dwangsom betreft. Voor het overige verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft het college op 27 oktober 2023 verzocht om een afschrift te verstrekken van zijn volledige dossier. Eiser heeft gevraagd om hem alle persoonsgegevens te verstrekken plus de context, zodat hij kan controleren of de gegevens rechtmatig verwerkt zijn en of er fouten in de documenten staan. Eiser heeft zijn verzoek gebaseerd op onder meer de Algemene verordening persoonsgegevens (AVG), Wjsg en de Wet open overheid (WOO).
2.1.
Het college heeft met het besluit van 17 januari 2024 beslist om eiser inzage te geven in de door hem verzochte persoonsgegevens die door het Openbaar Ministerie (OM) op basis van de Wjsg zijn verwerkt en verstrekt. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 27 mei 2024 heeft eiser het college in gebreke gesteld. Eiser heeft het college op 29 augustus 2024 per e-mail gevraagd om de verbeurde dwangsom van € 1.442,- binnen twee weken over te maken.
2.3.
Met het bestreden besluit van 3 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover het ziet op een onvolledige zoekslag. Voor het overige is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Ten aanzien van de ingebrekestelling heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze niet geldig is.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, zijn gemachtigde en namens het college haar gemachtigde en mr. M.P. Ketting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De voor de beoordeling van het beroep relevante wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Niet-ontvankelijkheid
4. Het college heeft in het verweerschrift de vraag opgeworpen of eiser ontvankelijk is in zijn beroep omdat dit is ingediend door een gemachtigde die geen advocaat is. In artikel 39k, tweede lid van de Wjsg is bepaald dat een betrokkene het recht heeft om op schriftelijk verzoek uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die strafvorderlijke gegevens in te zien. In artikel 20, vierde lid van de Wjsg is bepaald dat een dergelijk verzoek tevens kan worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend. Volgens het college dienen de artikelen 39k, tweede lid en 20, vierde lid van de Wjsg analoog te worden toegepast op de bezwaar- en beroepsprocedure en zou dus alleen door betrokkene zelf of een advocaat beroep mogen worden ingesteld. Omdat eisers gemachtigde geen advocaat is, zou volgens het college het beroep van eiser niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep van eiser niet-ontvankelijk te verklaren omdat zijn gemachtigde geen advocaat is. Voor analoge toepassing van de artikelen 39k, tweede lid en 20, vierde lid van de Wjsg zoals door het college verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding. Vooropgesteld wordt dat het verzoek aan het college om uitsluitsel te krijgen door eiser zelf is ingediend, niet door zijn gemachtigde. Pas in beroep is de gemachtigde van eiser bij de zaak betrokken. Eiser heeft gemachtigde schriftelijk gemachtigd om zijn belangen te behartigen en hem in rechte bij te staan. Daarmee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank bewust de keuze gemaakt om zijn gegevens, waaronder gegevens uit het justitiële documentatieregister, met zijn gemachtigde te delen. Ter zitting heeft het college gewezen op twee uitspraken van de rechtbank Den Haag [1] . De door het college aangehaalde uitspraken gaan niet over het geven van uitsluitsel, maar over (aanwezigheid bij) de inzage van de gevraagde informatie en zijn daarom niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
Zoekslag
5. Eiser heeft gesteld dat de zoekslag in de primaire fase niet goed is gegaan. Zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit is de zoekslag volgens eiser niet beschreven. De wel aangetroffen informatie is niet verstrekt. Eiser meent recht te hebben op een afschrift van zijn volledige dossier. Ook zou het college niet alle gegevens van eiser hebben verstrekt, omdat anders niet zou zijn geadviseerd om een nieuw inzageverzoek in te dienen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat eiser verzocht heeft om hem “alle persoonsgegevens” te verstrekken. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat vanwege de algemene formulering van eisers verzoek volstaan kon worden met een algemeen overzicht van de verwerkte persoonsgegevens van eiser. In tegenstelling tot wat eiser heeft gesteld, staat de zoekslag door het college in het bestreden besluit beschreven. Daaruit blijkt dat het college tot aan de datum waarop eiser het verzoek heeft ingediend in het systeem van het OM waarin strafzaken en andere correspondentie worden geregistreerd heeft gezocht op de achternaam, voorletter en geboortedatum van eiser en dat daarbij geen beperking in de tijd is aangehouden. Eiser stelt dat deze zoekslag onvolledig is, maar de rechtbank constateert dat eiser heeft nagelaten om deze stelling nader toe te lichten. Het is de rechtbank daardoor niet duidelijk op welke punten de door het college uitgevoerde zoekslag volgens eiser te beperkt zou zijn geweest. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat, nadat het college was gebleken dat nog niet in alle systemen was gezocht, in bezwaar een aanvullende zoekslag is verricht en het college de daaruit verkregen persoonsgegevens bij het bestreden besluit aan eiser heeft verstrekt. Voorts overweegt de rechtbank dat het college niet gehouden is om eiser een afschriften van zijn dossier te verschaffen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geeft artikel 39i van de Wjsg geen recht op een volledig afschrift van de betrokken gegevens. [2] Overigens heeft het college eiser aangeboden om op het parket inzage te krijgen in de strafvorderlijke gegevens. Voorts overweegt de rechtbank dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] is dat, nadat de verwerkingsverantwoordelijke onderzoek naar de persoonsgegevens heeft gedaan en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, degene die stelt dat er wel meer persoonsgegevens moeten zijn dit aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Dat het college eiser heeft geadviseerd om een nieuw inzageverzoek in te dienen, is daartoe onvoldoende. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat de opmerking van het college dat eiser een nieuw inzageverzoek kan doen ziet op een verzoek om specificatie van in de al aan eiser verstrekte overzichten beschreven informatie of verwerkingsactiviteiten. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden afgeleid dat er meer persoonsgegevens zouden zijn verwerkt dan het college heeft gemeld.
5.2.
Ter zitting is namens het college verklaard dat, ter voorbereiding van de zitting en in het kader van zorgvuldigheid en volledigheid, de zaaksbehandelaar in beroep de zaaksbehandelaar in bezwaar per e-mail heeft geraadpleegd. De zaaksbehandelaar zou in reactie daarop e-mails aan de behandelend officier van justitie en secretaris hebben doorgezonden. In die e-mails zou hen zijn gevraagd om hun mailboxen te checken op persoonsgegevens van eiser, waarop de officier van justitie en secretaris volgens het college hebben geantwoord dat deze checks geen resultaten hebben opgeleverd.
5.3.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de mailwisseling tussen de zaaksbehandelaar in beroep en de zaaksbehandelaar in bezwaar van het college op de zaak betrekking hebbende stukken zijn en daarom overgelegd dienen te worden. De rechtbank denkt hier anders over. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken rekent de rechtbank primair de stukken die relevant kunnen zijn voor de bestuursrechter om tot een uitspraak te komen en die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van het bestuursorgaan. Interne communicatie bij een bestuursorgaan ter voorbereiding van een zitting hoort daar niet bij. Dat kan hier anders zijn als de check van de officier van justitie en secretaris hadden geleid tot ‘hits’, waardoor nog niet eerder gesignaleerde persoonsgegevens van eiser zouden opduiken, maar de rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van het college dat de checks van de mailboxen niet tot resultaten hebben geleid.
Dwangsom
6. Eiser heeft gesteld dat hij recht heeft op een dwangsom van € 1.442,-.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser het college bij brief van 27 mei 2024 in gebreke heeft gesteld. Dit betekent dat uiterlijk 10 juni 2024 de beslissing op bezwaar had moeten zijn genomen. Het bestreden besluit dateert van 3 september 2024 en is dus te laat genomen. Dit is door het college ook erkend. Dat volgens het college niet eerder een beslissing kon worden genomen omdat eiser pas na herhaalde verzoeken zijn verhinderdata kenbaar heeft gemaakt, maakt niet dat, zoals het college heeft gesteld, de ingebrekestelling niet geldig is. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser op 27 februari 2024 bezwaar heeft gemaakt, wat betekent dat op het moment van versturen van de ingebrekestelling door eiser al drie maanden waren verstreken. Het college had in die maanden een besluit kunnen nemen of in ieder geval eiser uit kunnen nodigen voor een hoorzitting.
6.2.
Eiser heeft op 29 augustus 2024 het college verzocht om de verbeurde dwangsom aan hem over te maken. Vaststaat dat het college dit heeft nagelaten, terwijl zij hiertoe wel was gehouden. In zoverre slaagt het beroep van eiser dan ook.
Redelijke termijn
7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
7.1.
Vaste rechtspraak is dat zaken binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. In de regel is dat een termijn van twee jaren. [4] De rechtbank gaat in deze zaak ook uit van die termijn. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- voor een half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [5]
7.2.
De redelijke termijn is in deze zaak begonnen met de ontvangt van eisers bezwaarschrift door het college op 1 maart 2024 en loopt tot de dag waarop de rechtbank deze uitspraak doet. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met 3 maanden is overschreden. De rechtbank heeft niet op tijd (binnen anderhalf jaar) op het beroep beslist. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom aan de rechtbank te wijten. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding toekomt van € 500,-. Omdat de termijnoverschrijding aan de rechtbank is te wijten, zal de Staat de schadevergoeding moeten betalen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond voor zover dit het niet betalen van de dwangsom betreft. Voor het overige is het beroep ongegrond.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de dwangsom betreft;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 1.442,- dient te betalen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een vergoeding van schade tot een
bedrag van € 500,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 1 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)
Op grond van artikel 1, aanhef en onder b van de Wjsg wordt onder strafvorderlijke gegevens het volgende geschaard: persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg in een gegevensbestand verwerkt.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wjsg verwerkt Onze Minister in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.
Artikel 39i luidt:
1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van het College van
procureurs-generaal uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende
strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die strafvorderlijke gegevens in
te zien en om de volgende informatie te verkrijgen:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorie van de gegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek overeenkomstig de artikelen 39e, 39f en 39ga zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om verbetering, vernietiging of beperking van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens.
2. Het College van procureurs-generaal geeft op een verzoek als bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken uitsluitsel, met uitzondering van het deel van het verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Het College van procureurs-generaal kan zijn beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen, dan wel voor ten hoogste zes weken indien blijkt dat bij verschillende parketten strafvorderlijke gegevens over de verzoeker worden verwerkt. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
3. Op het deel van een verzoek om inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geeft het College van procureurs-generaal binnen vier weken uitsluitsel.

Voetnoten

2.Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:128 en 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9254
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:148
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3853
5.Zie de uitspraak genoemd in noot 4