Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4887

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/1090 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens onbevoegdheid bestuursrechter bij niet-publiekrechtelijk verzoek aan minister

Opposante verzet zich tegen een eerdere uitspraak waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister op haar verzoek uit 2024 om toestemming te geven aan een ziekenhuis om haar patiëntendossier aan te passen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek van opposante geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft en dat de minister niet op grond van een wettelijke bevoegdheid een besluit kan nemen dat een rechtsgevolg heeft. Hierdoor is er geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is de bestuursrechter onbevoegd om te oordelen over het geschil en het schadeverzoek.

Opposante stelde dat er wel sprake was van een niet tijdig genomen besluit, maar de rechtbank bevestigt dat het besluitbegrip in artikel 1:3 Awb Pro vereist dat het een schriftelijke publiekrechtelijke rechtshandeling betreft, wat hier niet het geval is.

Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand. De rechtbank wijst erop dat opposante haar geschil kan voorleggen aan de civiele rechter. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat de minister geen publiekrechtelijk besluit heeft genomen en de bestuursrechter onbevoegd is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1090 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 op het verzet van

[opposante], uit [woonplaats] , opposante [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 in het geding tussen
opposante
en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 april 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep van opposante kennis te nemen.
1.1.
Opposante heeft in haar verzetschrift en aanvullende verzetschrift niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 2 april 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat zij onbevoegd is. Zij doet dit aan de hand van de grond van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
4. Het beroep van opposante ging over het niet op tijd beslissen door de minister op haar verzoek(en) uit 2024 om toestemming te geven aan het [ziekenhuis] ( [ziekenhuis] ) om haar patiëntendossier aan te passen. Verder stelt opposante de minister aansprakelijk voor de onnodige en ontoelaatbare schade die is ontstaan door het onbeantwoord laten van de verzoekschriften.
De uitspraak van 2 april 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De bestuursrechter heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de bestuursrechter tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb. [3] Het verzoek van opposante aan de minister, waar de minister niet op tijd op zou hebben besloten, betreft namelijk geen verzoek tot het nemen van een besluit inhoudelijke een publiekrechtelijke rechtshandeling. De minister kan niet aan het verzoek van opposante tegemoetkomen op grond van een publiekrechtelijk wettelijke bepaling. Aangezien er geen sprake is van een (onrechtmatig) besluit in de zin van de Awb is de bestuursrechter ook onbevoegd om te oordelen over het schadeverzoek van opposante. [4]

Is er sprake van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb door de minister?

6. Opposante voert aan dat er sprake is van het niet op tijd nemen van een besluit door de minister in de zin van de Awb en dat de rechtbank dus wel bevoegd is. De verzetrechter erkent dat de minister (nog) niet heeft beslist op het verzoek van opposante. De bestuursrechter is echter alleen bevoegd als de minister niet op tijd een besluit heeft genomen in de zin van de Awb. [5] Het besluitbegrip is gedefinieerd in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 2 april 2026 terecht heeft geoordeeld, zou een door de minister genomen beslissing op het verzoek van opposante geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhouden. Een rechtshandeling is namelijk een actie die op rechtsgevolg is gericht. Een beslissing heeft rechtsgevolg, indien zij er op is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. [6] De minister kan wel toestemming geven aan het [ziekenhuis] om het patiëntendossier van opposante aan te passen, maar deze toestemming levert geen plicht op voor het [ziekenhuis] om het patiëntendossier van opposante aan te passen. Verder is een rechtshandeling publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan, in dit geval de minister, de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Voor het verlenen van toestemming voor de aanpassing van het patiëntendossier bestaat zo’n grondslag niet. Het verzet van opposante slaagt niet, er is geen sprake van het niet op tijd nemen van een besluit in de zin van de Awb door de minister.
7. Voor zover opposante aanvoert dat de minister niet op tijd beslist heeft op haar bezwaar van 5 november 2025 tegen het niet op tijd beslissen van de minister op opposante haar verzoek(en) uit 2024, stelt de rechtbank vast dat het beroep van opposante zag op het niet op tijd nemen van een besluit op haar verzoek(en) uit 2024. In beroep heeft opposante niet over het bezwaar van 5 november 2025 gesproken. Dit valt dus buiten de omvang van de beoordeling van het verzet.

Conclusie en gevolgen

8. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 2 april 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 2 april 2026 in stand blijft. Zoals in die uitspraak al vermeld is, kan opposante haar geschil aan de civiele rechter voorleggen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Wat onder een besluit wordt verstaan, staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.Zie artikel 8:88 van Pro de Awb.
5.Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb.
6.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 11 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1851, rechtsoverweging 7.1.