ECLI:NL:RBZWB:2026:4891

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/28 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing WIA-uitkering wegens onvolledig onderzoek UWV

Eiseres, werkzaam als medewerkster acceptatie en beheer, viel uit sinds maart 2020 door diverse klachten na een aanrijding in 2019. Het UWV weigerde haar WIA-uitkering per 23 maart 2022, waarna zij bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het besluit.

De rechtbank constateerde dat het onderzoek van het UWV aanvankelijk niet volledig was en schorste het onderzoek. Na aanvullend onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige in de beroepsfase werden beperkingen en het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek in beroep zorgvuldig was en dat de beperkingen en functies juist waren vastgesteld.

Hoewel het beroep gegrond werd verklaard wegens een motiveringsgebrek, liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens onvolledig onderzoek, FML en arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast, maar rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/28 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. N.J. Brouwer),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het onderzoek van het UWV niet volledig is geweest. Eiseres krijgt in zoverre dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank is echter van oordeel dat het onderzoek dat het UWV na de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft verricht, alsnog volledig is en laat de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 10 december 2024 in stand. Dit betekent dat eiseres geen WIA-uitkering krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit, het wettelijk kader en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als medewerkster acceptatie en beheer voor 36 uur per week. Voor dat werk is zij op 25 maart 2020 uitgevallen vanwege hoofd-, schouder-, nek- en rugklachten, cognitieve problemen, tinteling linkerarm tot aan de pols, verminderde kracht in haar linkerarm, stijfheid, concentratieproblemen, een verstoord slaapritme door pijnen, duizeligheid als gevolg van een aanrijding die plaatsvond in augustus 2019.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 16 mei 2024 (primair besluit) geweigerd per 23 maart 2022 aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, [persoon] als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en [vertegenwoordiger] namens het UWV. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat het onderzoek van het UWV niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om het onderzoek compleet te maken.
Op 9 december 2025 heeft het UWV, met een verwijzing naar de reactie van 17 november 2025, gereageerd met een aanvullend onderzoek van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b).
3.4.
Op 5 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres een zienswijze ingediend met betrekking tot het aanvullend onderzoek van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b.
3.5.
Op 30 januari 2026 heeft de rechtbank aan eiseres en het UWV gevraagd of zij nog een nadere zitting wensen. Eiseres heeft aangegeven geen nadere zitting te wensen. Het UWV heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiseres medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Heeft het UWV de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier van eiseres en de ontvangen informatie bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 19 december 2023. Naar aanleiding van dit spreekuur heeft de verzekeringsarts een expertise aangevraagd bij [bedrijf] op 20 december 2023 vanwege aanhoudende fors invaliderende pijnproblematiek bij whiplash associated disorder 2 ondanks het volgen van adequate behandelingen en wegens twijfel of er sprake is van cognitieve stoornissen dan wel een somatoforme stoornis. Op 11 april 2024 ontving de verzekeringsarts de informatie van [bedrijf] .
7.1.1.
Uit de informatie van [bedrijf] blijkt dat eiseres bij het neuropsychologisch testonderzoek binnen de cognitieve domeinen tempo van informatieverwerking, aandacht, geheugen en executieve functies scores op stoornisniveau behaalt. Feitelijk zijn zo ongeveer alle scores laag tot zeer laag. Daar zij echter ook (fors) uitvalt op een test die onderzoekt of zij zich zo heeft kunnen inzetten als redelijkerwijs van haar verwacht mag worden (symptoomvaliditeitsmaat), kan aan deze lage scores geen waarde gehecht worden. Eiseres heeft op de een of andere manier niet de inspanning kunnen leveren die benodigd is om valide testscores te behalen. De reden hiervan kan niet gekend worden. Hoe dan ook kunnen vanwege de onvoldoende symptoomvaliditeit aan de behaalde testprestaties geen conclusies verbonden worden en kunnen ook geen hierop gebaseerde cognitieve stoornissen worden vastgesteld. Het geheel overziend zijn er pijnklachten in nek, hoofd en schouders zoals die kunnen optreden als gevolg van een whiplashletsel. Er zijn geen neurologische afwijkingen die wijzen op functiestoornissen van het cervicale ruggenmerg of de cervicale zenuwwortels. Samenvattend leidt dit tot de conclusie dat er sprake is van post-whiplashklachten zonder aantoonbare neurologische schade op cognitief en/of spinaal niveau. Wanneer dergelijke klachten persisteren zijn er vaak andere dan louter mechanische factoren die klachtenonderhoudend werken. Bij eiseres valt te denken aan: het gebruik van centraal werkende analgetica in de zin van pregabaline en tramadol op een structurele dagelijkse basis; het catastroferen van de klachten die gewoonlijk geduid worden als spierpijn; psychologische factoren zoals een afhankelijke persoonlijkheidsstructuur; psycho-emotionele klachten naar aanleiding van major life-events zoals het overlijden van haar man ten gevolge van een ongeval in 2016, drie jaar voordat het onderhavige ongeval zich voordeed, wellicht kan dit mede bepalend zijn voor het huidige toestandsbeeld wat omschreven kan worden als depressief en de steunende rol van eiseres haar familie, die zeer invoelbaar en lovenswaardig is, dit is positief, maar kan er ook toe leiden dat eiseres in de huidige ontstane situatie berust en erin blijft hangen. Alles overziend kwalificeren de huidige klachten tezamen voor een somatische symptoom stoornis. Daarbij wordt in het gecombineerd psychiatrisch verzekeringsgeneeskundig onderzoek benoemd dat de klachten, volgens de onderzoeker, in stand worden gehouden doordat alles van eiseres wordt overgenomen. Hierdoor doet zij geen succeservaringen op en bovendien kunnen lichamelijke klachten door de afgenomen activiteit verder verergeren. De onderzoeker geeft aan dat intensieve behandeling op een ALK (aanhoudende lichamelijke klachten) poli is geïndiceerd waarbij eiseres kan leren de lichamelijke klachten een minder prominente rol in haar leven in te laten nemen door anders met de klachten om te gaan.
7.1.2.
Naar aanleiding van deze informatie, het dossier van eiseres en de onderzoeksbevindingen op het spreekuur van 19 december 2023, neemt de verzekeringsarts beperkingen aan ten aanzien van voorspelbaarheid, deadlines/productiepieken, storingen en onderbrekingen, handelingstempo, emotionele problemen van anderen hanteren, conflicthantering, leidinggevende aspecten, arm-, nek- en schouderbelasting en avond- en nachtdiensten. Er is geen indicatie voor een beperking in de duurbelastbaarheid wanneer rekening wordt gehouden met bovenstaande beperkingen. De verzekeringsarts sluit verder niet uit dat er sprake kan zijn van cognitieve klachten tijdens fysieke en mentale inspanning, maar het CBBS hanteert vrij lage referentiewaarden waardoor eiseres ondanks haar klachten en belemmeringen niet functioneert beneden deze vastgestelde norm. De vermoeidheidsklachten lijken te zijn ontstaan en in stand gehouden door verschillende factoren waaronder chronische pijnproblematiek van de nek en deconditionering op basis van haar dagverhaal
.
7.1.3.
De verzekeringsarts b&b stelt dat de bezwaren met betrekking tot de aangegeven belastbaarheid leiden tot herziening van het ingenomen standpunt door de primaire verzekeringsarts. De aangegeven belastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2024 vergt enige toelichting en een wijziging. Zo vervalt de beperking op item 5.7 boven schouderhoogte actief zijn, omdat de beperking die is aangenomen geen beperking is naar CBBS-normen. Wel wordt opgenomen dat boven norm belasting niet mogelijk is. Verder worden de beperkingen op item 4.15, hoofdbewegingen, en item 6.4.1, regelmatige werktijden, nader toegelicht. Een fysiek spreekuur acht de verzekeringsarts b&b niet nodig aangezien de verzekeringsarts een op alle aanwezige medische klachten onderzoek heeft verricht en nog aanvullend heeft laten verrichten met een gecombineerde psychologische/psychiatrische expertise. Ook is uitgebreid medische informatie opgevraagd bij behandelaars en de huisarts. Alle klachten van eiseres zijn goed uitgevraagd, het dagverhaal is goed uitgevraagd. Daarmee was het medisch feitencomplex volledig waardoor de verzekeringsarts tot diens oordeel kon komen en passen de beperkingen bij de medische gegevens. Daarbij komt dat het verrichten van een lichamelijk onderzoek bij de onderliggende ziektebeelden van eiseres geen toegevoegde waarde meer heeft gezien alle aanwezige medische informatie en onderzoeken. Structurele afwijkingen welke de klachten kunnen verklaren werden ook in die uitgebreide informatie niet gevonden.
7.1.4.
De beperkingen en de belastbaarheid van eiseres zijn neergelegd in de FML van 24 oktober 2024.
7.2.
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat er geen spreekuur heeft plaatsgevonden door de verzekeringsarts b&b. Verder voert zij aan dat zij meer beperkt geacht dient te worden op basis van haar zeer forse energieverlies, fors invaliderende pijnproblematiek (ten gevolge van een Whiplash; WAD-2 post-commotionele klachten), oog-/visusproblematiek, die bestaat uit wazig zien, flinke esotropie (wisselende oogstand), dubbelbeelden bij focussen etc. en concentratieproblemen. Eiseres verwijst hierbij naar de medische informatie die zij in het bezwaarproces heeft overgelegd waaronder de testscores bij het neuropsychologisch onderzoek. Deze moeten volgens eiseres wel degelijk serieus genomen worden. Zij heeft de vereiste inspanning namelijk niet kunnen leveren als gevolg van de bij haar aanwezige klachten en beperkingen. Dit sluit aan bij het forse energieverlies en de fors invaliderende pijnproblematiek. Op basis van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot lastig te objectiveren klachten had de consistente anamnese/het consistente dagverhaal van eiseres waarbij haar klachten passen bij een gekend ziektebeeld tot meer beperkingen moeten leiden waaronder een forse urenbeperking. Verder is volgens eiseres door de verzekeringsarts b&b niet ingegaan op visusklachten.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft met het rapport van 17 maart 2025 gereageerd op de beroepsgronden van eiseres. Hierbij geeft de verzekeringsarts b&b aan dat er geen fysiek spreekuur is gehouden. Tussen de datum in geding en het rapport van de verzekeringsarts b&b van 24 oktober 2024 ligt namelijk bijna twee jaar. Volgens de verzekeringsarts b&b zou het op een fysiek spreekuur zien van eiseres geen meerwaarde hebben, mede gezien de inhoud van de ingebrachte medische informatie en de aanwezige informatie.
7.3.1.
In het rapport van 17 maart 2025 geeft de verzekeringsarts b&b verder aan dat de oogarts aangeeft dat er sprake is van een over gecorrigeerde Myopie. Dit betekent dat de bril die eiseres sinds haar 25ste draagt te sterke negatieve glazen heeft. Eiseres draagt dus de verkeerde bril. Verder worden geen oogheelkundige afwijkingen gevonden. Omdat het dragen van een bril kan leiden tot een ‘accommodatiespasme’, kan dit tot visusproblemen leiden (pseudo-bijziendheid). Die problemen zijn tijdelijk en na correctie zullen ze verdwijnen. Aangezien er verder geen oogheelkundige afwijkingen zijn vastgesteld, acht de verzekeringsarts b&b het niet nodig om visuele beperkingen aan te nemen. In tegenstelling tot wat de neuroloog aangeeft, is er volgens de verzekeringsarts b&b dan ook geen sprake van een functionele neurologische stoornis (FNS).
7.3.2.
De verzekeringsarts b&b ziet ook geen aanleiding voor een urenbeperking op preventieve, beschikbaarheids- of energetische gronden. Preventief niet, want bij eiseres is geen sprake van een gebrek aan ziekte-inzicht, of -besef waardoor zij zich kan overbelasten. Dit kan namelijk voorkomen bij een psychose, een uitgebreid hartinfarct of ernstige longaandoeningen en deze problematiek speelt niet bij eiseres. Op basis van beschikbaarheidsgronden niet, want eiseres volgt op datum in geding geen intensieve behandeling voor meerdere dagdelen per week gedurende langere tijd. Verder ook op energetische gronden niet, want er is bij eiseres geen sprake van een aandoening die gepaard gaat met een tekort aan energie, een te groot energieverbruik of verminderde mogelijkheden tot recuperatie. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen.
7.4.
Op 23 juni 2025 reageert eiseres op het rapport van de verzekeringsarts b&b van 17 maart 2025. Zij is nog steeds van mening dat haar oogproblemen, zoals omschreven door de neuroloog, onvoldoende serieus genomen worden. Haar oogsterkte is namelijk correct, maar zij heeft desondanks nog steeds last van dubbel en wazig zicht. Hierdoor ervaart eiseres ernstige beperkingen in haar vermogen om zich te concentreren en te focussen op schermen of geschreven teksten. Daarnaast gebruikt ze niet zomaar oogdruppels, maar atropinedruppels (1 mg) met als doel de oogspieren te laten ontspannen. Een bekende bijwerking van dit medicijn is echter dat het zicht tijdelijk sterkt vermindert of zelfs vrijwel volledig wegvalt. Eiseres heeft binnenkort een afspraak voor een behandeling met botoxinjecties in de oogspieren. Dit onderstreept dat er sprake is van serieuze oogproblematiek waarvoor specialistische behandeling noodzakelijk is. Daarbij zijn haar klachten ontstaan door het ongeluk en niet door het dragen van een verkeerde bril. Voor het ongeluk functioneerde zij namelijk uitstekend en stond zij volop in het leven, zonder lichamelijke of visuele klachten. Daarnaast gaat de verzekeringsarts b&b, volgens eiseres, voorbij aan het consistente klachtenpatroon en het aansluitende dagverhaal waaruit wel degelijk zeer forse vermoeidheid en noodzakelijke rustmomenten volgen op grond waarvan een urenbeperking gerechtvaardigd zou zijn.
7.4.1.
Eiseres verzoekt om de verzekeringsarts de heer [verzekeringsarts 1] als deskundige in te schakelen teneinde de problematiek alsnog goed in kaart te brengen, aangezien de discussie (in elk geval deels) ziet op het (vermeend ontbreken van) medisch substraat en dus de objectiveerbaarheid van de door eiseres geclaimde problematiek.
7.5.
Op de zitting van 23 juli 2025 komt ter sprake dat het rapport van de verzekeringsarts van 15 april 2024, waarvan de verzekeringsarts b&b vindt dat het zorgvuldig tot stand is gekomen, niet helemaal strookt met de FML van 24 oktober 2024. In het rapport worden beperkingen ten aanzien van visuele en auditieve prikkels en storingen en onderbrekingen benoemd, maar die komen niet terug in de FML. Daarnaast staat er in het rapport van de verzekeringsarts dat de visie van verzekeringsarts [verzekeringsarts 2] van [bedrijf] qua belastbaarheid integraal wordt overgenomen, maar in de FML is ook geen beperking opgenomen wat betreft het dragen van een grote (zorg)verantwoordelijkheid. Verder is de verzekeringsarts b&b wel ingegaan op de oogklachten, maar enkel op de overgecorrigeerde Myopie linkeroog meer dan rechteroog, maar niet op de flinke esotropie alternans (wisselende oogstand). Om die redenen wordt het onderzoek ter zitting geschorst en wordt het UWV in de gelegenheid gesteld om hier nog (verder) onderzoek naar te doen.
7.6.
Naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek ter zitting heeft de verzekeringsarts b&b nader dossieronderzoek gedaan. Op 23 september 2025 heeft de verzekeringsarts b&b gerapporteerd. De verzekeringsarts b&b heeft in een gewijzigde FML van 30 september 2025 een aanvullende beperking aangenomen op de gevoeligheid voor auditieve en visuele prikkels en op storingen en onderbrekingen. In de FML staat omschreven onder 1.8.1: “De cliënt is aangewezen op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten, namelijk gevoelig voor geluidsprikkels, kan noise cancelling gebruiken, tevens gevoelig voor bewegingen. Hierbij kunnen wel schermen ingezet worden om een zo prikkelarm mogelijke werkplek mogelijk te maken” en onder 1.8.3: “Ja, de cliënt is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, namelijk cliënt kan wel omgaan met storingen en onderbrekingen zolang dit geen wezenlijk onderdeel vormt van de functie”. Volgens de verzekeringsarts b&b is de beperking met betrekking tot “grote zorgverantwoordelijkheid dragen” al voldoende gecoverd door de beperkte belastbaarheid op punt 2.6.2. (emotionele problemen van anderen hanteren): “Beperkt, trekt zich doorgaans problemen van anderen onvoldoende aan, kan zich desondanks wel enigszins inleven in anderen en hen bijstaan/ondersteunen”. De verzekeringsarts b&b is nader ingegaan op de oogproblematiek, heeft hierbij onder andere aangevoerd dat deze ruim na de datum in geding optreedt en dat, mochten de andere aangedragen oplossingen (het stoppen met medicatie/aangepaste bril) niet werken, altijd nog één oog afgedekt kan worden, omdat met één oog niet dubbelgezien kan worden.
7.7.
Bij brief van 6 januari 2026 reageert eiseres op het nadere onderzoek door de verzekeringsarts b&b. Eiseres voert aan dat het UWV een consistent door eiseres naar voren gebracht klachtenverhaal bagatelliseert, dat nota bene door specialisten is bevestigd, ten aanzien van de oogbewegingsstoornis door te benadrukken dat er “geen structurele oorzaak” is en de stoornis slechts “functioneel” zou zijn, en door te spreken over “mogelijk tijdelijk overactieve oogspieren”. Deze benadering miskent dat de feitelijke gevolgen (o.a. dubbelzien, hoofdpijn, verminderde dieptewaarneming, inzet van medicatie en druppels) leiden tot concrete en substantiële beperkingen in het zien en in visuele belasting, ongeacht de etiologie. De beoordeling is daarmee onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ook bij een functionele of niet-structureel verklaarde stoornis er reële beperkingen in de FML moeten worden opgenomen. In de huidige FML is dit onvoldoende gebeurd. Volgens eiseres dienen er nadere beperkingen aangenomen te worden op het ‘zien’. Volgens eiseres zou het binoculair zien en het diepte zien beperkt moeten zijn, het werken met een beeldscherm sterk beperkt en visuele nauwkeurigheid/fijn werk ook beperkt. Daarnaast zou een beperking aangenomen moeten worden voor complexe visuele taken/visuele prikkels. Verder zou volgens eiseres een beperking aangenomen moeten worden op tempo en duurbelasting ter voorkoming van toename van dubbelzien en hoofdpijn.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Wat betreft de grond dat er geen spreekuur heeft plaatsgevonden, heeft de verzekeringsarts b&b afgewogen dat een fysiek medisch onderzoek in bezwaar geen toegevoegde waarde had omdat voldoende informatie beschikbaar was en omdat de datum in geding al geruime tijd in het verleden lag. De rechtbank volgt de verzekeringsarts b&b hierin en neemt daarbij in aanmerking dat eiseres in de primaire fase wel is gezien door een geregistreerde verzekeringsarts en er geen aanknopingspunten aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat een fysiek spreekuur aangewezen was. [1] Wat betreft de oogproblematiek gaat de rechtbank mee in het oordeel van de verzekeringsarts b&b dat deze ruim na de datum in geding (23 maart 2022) optreedt. Uit het dossier blijkt niet dat op de datum in geding sprake was van oogproblemen. Op 10 juni 2021 bespreekt de huisarts met eiseres om naar de optometrist te gaan in verband met de ogen. Daarna staat er niets meer over oogklachten in het huisartsenjournaal tot (ver na de datum in geding) 9 mei 2023. De rechtbank acht dit onvoldoende om aan te nemen dat de klachten er op datum in geding ook waren. Eiseres stelt dat de klachten zijn ontstaan door het ongeluk, maar zowel de neuroloog (brief van 27 juni 2024) als de oogarts (brief van 1 juli 2024) kunnen geen duidelijk verband leggen. Daarnaast komen de oogklachten op de medische vragenlijst die eiseres vlak na het ongeluk heeft ingevuld op 21 augustus 2019 niet voor en op dat moment gaf eiseres ook aan dat zij geen moeite had met het doen van beeldschermwerk. Ook op de medische vragenlijst die eiseres op 19 januari 2021 voor de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft ingevuld komen oogklachten niet voor. Voor zover de klachten er op datum in geding toch waren, heeft de verzekeringsarts b&b voldoende gemotiveerd dat de oogproblemen van eiseres opgelost kunnen worden door een aangepaste bril of het afdekken van één oog. De rechtbank overweegt dat hierbij geen beperkingen in de FML aangenomen hoeven worden, omdat uit het handboek CBBS blijkt dat er enkel beperkingen op het ‘zien’ moeten worden aangenomen als de stoornis in het zien in arbeidssituaties beperkend kan zijn en niet opgeheven kan worden met gebruikelijke hulpmiddelen (bril of contactlenzen en naar oordeel van de rechtbank dus ook het afplakken van een oog). Voor wat betreft het feit dat er door de verzekeringsarts b&b geen urenbeperking is aangenomen, overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts b&b in het rapport van 17 maart 2025 voldoende gemotiveerd heeft waarom geen urenbeperking is aangewezen op preventieve, beschikbaarheids- of energetische gronden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het dagverhaal, zoals opgenomen in het rapport van de verzekeringsarts en [bedrijf] , geen overdreven recuperatiebehoefte blijkt. De rechtbank kan zich wel voorstellen dat, zoals zowel de verzekeringsarts van het UWV, de verzekeringsarts van [bedrijf] en de verzekeringsarts b&b hebben aangegeven, er sprake is van een zekere deconditionering doordat eiseres (bijna) alles uit handen wordt genomen.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek in beroep op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. In beroep heeft de verzekeringsarts b&b nog de beperkingen uit het rapport van [bedrijf] overgenomen voor wat betreft de auditieve en visuele prikkels en de storingen en onderbrekingen. De verzekeringsarts b&b heeft ook afdoende toegelicht waarom er voor de grote (zorg)verantwoordelijkheid geen beperkingen opgenomen worden. Ook is de verzekeringsarts b&b in beroep nog ingegaan op de gestelde oogklachten. Bij de opstelling van de FML van 30 september 2025 is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Het UWV heeft de beperkingen (uiteindelijk) juist vastgesteld. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
9. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat het UWV de beperkingen van eiseres juist heeft vastgesteld, wijst de rechtbank het verzoek van eiseres om een deskundige aan te wijzen af.
Zijn de door het UWV aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
10. Een arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Inventory Control Officer (SBC-code 513010), Archiefmedewerker (SBC-code 315132) en Behandelfunctionaris C (SBC-code 532040). Verder heeft de arbeidsdeskundige b&b ook nog de functies Medewerker Post (SBC-code 315133) en Financieel administratief ondersteuner A (SBC-code 516110) geselecteerd, maar niet ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
11. De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eiseres standpunt dat zij niet in staat is de geduide functies te verrichten, vloeit voort uit haar opvatting dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank in overweging 8.1. heeft geconcludeerd, is die opvatting niet juist. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 4 november 2025 gemotiveerd waarom de functies nog steeds geschikt zijn voor eiseres met de aanvullende beperkingen. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
12. Op basis van de inkomsten die eiseres met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres heeft tegen deze berekening gronden naar voren gebracht, die de arbeidsdeskundige b&b aanleiding hebben gegeven het maatmanloon aan te passen. Hierdoor wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage in beroep aangepast van 9,45% naar 15,69%, maar dit is nog steeds minder dan 35%.
12.1.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het UWV in beroep nog beperkingen heeft toegevoegd aan de FML en de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd door aanpassing van het maatmanloon. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. De geduide functies zijn immers wel terecht aan de schatting ten grondslag zijn gelegd en het bestreden besluit kan ook voor het overige de rechterlijke toetsing doorstaan. Dit betekent dat er inhoudelijk niets verandert.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep hebben deze proceshandelingen een waarde van € 907,00. Daarnaast heeft de gemachtigde een zienswijze ingediend op 5 januari 2026, naar aanleiding van het nadere onderzoek door het UWV. In beroep heeft deze proceshandeling een waarde van € 453,50.
Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:637.