Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Pensionstal behoudt zich bij het in gebreke blijven van betaling van het pensiongeld zich het retentierecht op het paard/pony en toebehoren van Pensiongast voor.” Volgens de overeenkomst diende het pensiongeld maandelijks uiterlijk op de eerste dag van de maand bij vooruitbetaling te worden betaald (art. 4.1). Dat [partij] achter bleef met de betaling, zoals [de V.O.F.] zonder enige onderbouwing stelt [3] , is niet vastgesteld. Niet gebleken is dat [partij] op 30 oktober 2024 de tot en met die maand verschuldigde huur (deels) onbetaald had gelaten. Van het in gebreke blijven met de betaling van het pensiongeld was op die dag dan ook geen sprake. Er waren bovendien geen aanwijzingen dat [partij] de huur voor de maanden november en december 2024 niet zou voldoen. Dat [partij] op 29 oktober 2024 al haar spullen had weggehaald, zoals [de V.O.F.] eveneens stelt, heeft
Ik hoop dat je zo snel mogelijk vertrekt met alles” en kreeg [partij] te verstaan: “
Alleen jij hebt toegang, verder niemand.” [5] . Anders dan [de V.O.F.] stelt [6] werd na de betaling van de huur het personeel van [partij] dus niet toegelaten. Uit die opmerking volgt immers dat niet alleen werknemer [persoon 1] niet meer welkom was, de andere medewerker van [partij] was dat evenmin, alsook de vriend van [partij] en eventuele andere personen die haar volgens een eerdere mededeling van [vennoot ] nog in [persoon 1] ’s plaats bij haar werkzaamheden zouden kunnen helpen. [partij] moest het vanaf die dag klaarblijkelijk alleen zien te rooien. Kennelijk moest zij in weerwil van de huurovereenkomst waarin werd toegestaan dat [partij] met eigen personeel (art. 22.2) bedrijfsactiviteiten verrichtte, de verzorging van de nog aanwezige paarden en het onderhoud van alle door haar gehuurde stallen alleen uitvoeren.
Wanneer na de beëindiging van de Overeenkomst de stalruimte is ontruimd en in behoorlijke staat is opgeleverd, zal door Pensionstal de waarborgsom worden terugbetaald, uiterlijk een maand na oplevering.” Het gaat dus om oplevering van het gehuurde in een behoorlijke staat en niet in een “
uitstekende” of zelfs “
gelijke sublieme staat”, zoals [de V.O.F.] in haar correspondentie aan
Weer een ervaring rijker”) maar daarin is de naam van [partij] niet genoemd. Het bericht heeft echter wel de interesse gewekt van ene [persoon 3] , die een (verondersteld) besloten Facebookgroep bijhoudt ten behoeve van stalhouders en hen wil waarschuwen voor wanbetalers. Aan deze [persoon 3] heeft [vennoot ] , naar zij ter zitting erkende, een bericht gestuurd waarin [partij] door [vennoot ] heel bewust bij naam werd genoemd en waarin onder meer werd vermeld dat zij een influencer is die gebakken lucht verkoopt, die haar klanten belazerd tot en met, die een paard alleen longeert wanneer een eigenaar op afspraak komt kijken en die dan een ‘bingkoekverhaal lult’ dat het zo goed vooruit gaat. Verder deed [vennoot ] in hetzelfde bericht in negatieve bewoordingen kort verslag van de communicatie zoals zij die kennelijk heeft beleefd, met betrekking tot de door [partij] gemelde burn- outklachten en haar wens om in verband daarmee minder stallen te huren. Vervolgens heeft deze [persoon 3] het verhaal van [vennoot ] verspreid in haar Facebookgroep om, zoals zij schreef, pensionhouders te waarschuwen. Weliswaar zonder de naam van [partij] te vermelden maar die konden de lezers bij [persoon 3] opvragen, aldus het bericht.