Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5028

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/3624
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet-ontvankelijkheid studiefinanciering afgewezen door rechtbank

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van DUO waarbij zijn bezwaar tegen de vaststelling van studiefinanciering niet-ontvankelijk werd verklaard. Hij stelde dat zijn bezwaar ook een aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule bevatte, die inhoudelijk behandeld had moeten worden.

De rechtbank oordeelt dat DUO het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiser met het bezwaar geen meerwaarde kon bereiken dan het reeds toegekende besluit waarbij de prestatiebeurs is omgezet in een gift. Het bezwaar had geen procesbelang omdat het resultaat van het bezwaar feitelijk geen betekenis meer had voor eiser.

Daarnaast is het verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule als een afzonderlijke aanvraag in behandeling genomen, buiten de reikwijdte van deze procedure. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar is ongegrond verklaard omdat eiser geen procesbelang heeft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3624

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eisers recht op studiefinanciering. Eiser is het niet eens met het besluit waarbij zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat DUO het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 april 2025 heeft DUO eisers verzoek om een voorziening prestatiebeurs toegekend. De prestatiebeurs die eiser heeft ontvangen tot februari 2021 wordt omgezet in een gift. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het besluit van 6 juni 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens DUO, via een digitale verbinding, mr. G.J.M. Naber.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser heeft studiefinanciering ontvangen. Hij heeft een studieschuld van € 40.504,87 opgebouwd. Op 8 november 2024 heeft DUO aangegeven dat is vastgesteld dat eiser over de periode januari tot en met december 2025 studiefinanciering moet terugbetalen. Het maandbedrag is vastgesteld op € 102,28.
Op 27 januari 2025 heeft eiser een verzoek ‘voorziening hoger onderwijs bij bijzondere omstandigheden’ ingediend. Hij heeft aangegeven dat sprake is van een structurele functiebeperking en dat zeer aannemelijk is dat dit de oorzaak is van de studievertraging. Hij verzoekt om de prestatiebeurs om te zetten in een gift.
Bij besluit van 3 april 2025 is het verzoek toegekend. De prestatiebeurs die eiser tot februari 2021 heeft ontvangen wordt omgezet in een gift. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het gaat om het reisproduct. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit van 6 juni 2025 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Aangegeven is dat er al een beslissing is genomen over de prestatiebeurs, die is omgezet in een gift.
Voor zover het bezwaar is gericht tegen het feit dat de draagkracht niet juist is vastgesteld, dat eiser geen tegemoetkoming gemiste basisbeurs krijgt en dat het rentepercentage niet juist is vastgesteld, stelt DUO dat hierover geen besluit is genomen. Daarom kan hiertegen geen bezwaar worden gemaakt. Het bezwaar is daarom niet-ontvankelijk.
Beroepsgronden
5. Eiser stelt dat zijn bezwaar naast kritiek op het besluit van 3 april 2025 ook een expliciete aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) bevatte. Een dergelijk verzoek had als aanvraag behandeld moeten worden. Het bezwaar was ontvankelijk omdat het was gericht tegen de weigering toepassing te geven aan artikel 11.5 Wsf 2000 en had inhoudelijk behandeld moeten worden.
Op 17 juli 2025 is een afzonderlijke aanvraag artikel 11.5 Wsf 2000 ingediend. DUO heeft geen besluit genomen binnen de termijn. Volgens eiser moet er een individuele belangenafweging worden gemaakt. DUO heeft dat niet gedaan, daarmee is het besluit onzorgvuldig, onvolledig en onevenredig.
Ontbreken procesbelang
6. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [1] is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft DUO terecht geen procesbelang aangenomen bij eisers bezwaar. Eiser had een verzoek ‘voorziening hoger onderwijs bij bijzondere omstandigheden’ ingediend. Met het besluit van 3 april 2025 is het verzoek toegekend en is de prestatiebeurs omgezet in een gift. Eiser kon met de bezwaarprocedure niet méér bereiken dan wat hij reeds had gekregen.
Nu eiser geen belang meer had bij zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 3 april 2025, heeft DUO het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Aanvraag toepassing hardheidsclausule
7. Eiser heeft aangegeven dat zijn bezwaar ook een expliciete aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule bevatte. In het verweerschrift en ter zitting heeft de gemachtigde van DUO toegelicht dat eisers verzoek van 17 juli 2025 om toepassing van de hardheidsclausule als verzoek om kwijtschelding op medische gronden in behandeling is genomen. Daartoe wordt een medisch adviseur ingeschakeld. Verder is ter zitting door de gemachtigde van DUO toegezegd in het kader van die procedure ook gekeken zal worden naar de overige – niet-medische – omstandigheden van eiser. Die procedure valt echter buiten de omvang van het geding waar de rechtbank zich over uit kan laten.

Conclusie en gevolgen

8. Nu DUO het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, is het beroep ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2023:1508.