Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5097

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
02.219502.25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord, bewezenverklaring poging doodslag en wapenbezit minderjarige

Op 22 juni 2025 heeft de minderjarige verdachte in Vlissingen met een omgebouwde revolver van kaliber .22 Lr twee kogels afgevuurd op het slachtoffer, waarbij ernstig letsel is toegebracht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van poging tot doodslag en wapenbezit, maar spreekt verdachte vrij van poging tot moord en medeplegen vanwege het ontbreken van voorbedachte raad en nauwe samenwerking.

De rechtbank weegt mee dat het incident plaatsvond in een uitgaansgebied en ernstige gevolgen had voor het slachtoffer en de samenleving. Verdachte heeft een strafblad, maar geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een combinatie van werkstraf, onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden en toezicht.

De rechtbank legt een werkstraf van 100 uur op, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 143 dagen (gelijk aan het voorarrest) en een voorwaardelijke jeugddetentie van 217 dagen met een proeftijd van twee jaar. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer contactverbod met het slachtoffer, geen drugs- en wapenbezit, elektronische monitoring en medewerking aan behandeling en reclasseringstoezicht.

De benadeelde partij wordt toegewezen €3.554,84 aan materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 juni 2025. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het overige deel van de schadevergoeding, dat bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend. Het vonnis is dadelijk uitvoerbaar en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag en wapenbezit met werkstraf, onvoorwaardelijke en voorwaardelijke jeugddetentie, en vrijgesproken van poging tot moord en medeplegen.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02.219502.25
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. T. Roggenkamp, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 28 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:op 22 juni 2025 samen met een ander, al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden (
primair) dan wel heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
subsidiair) door met een vuurwapen meerdere kogels op zijn lichaam af te vuren;
feit 2:op 22 juni 2025 samen met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden had.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het medeplegen van een poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben met een vooropgezet plan met vol opzet geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven te beroven door op zeer korte afstand tweemaal met een vuurwapen op het bovenlichaam van [slachtoffer] te schieten. Dat sprake is van een gezamenlijk vooropgezet plan, blijkt uit het filmpje op de telefoon van [medeverdachte] en de omstandigheden dat verdachte een geladen vuurwapen bij zich draagt terwijl hij een conflict met [slachtoffer] heeft en hij [slachtoffer] heeft opgezocht om zijn angst te overwinnen. Kort voor de schietpartij zondert verdachte zich in de [straat] af om zich te bezinnen. In die straat is ook [medeverdachte] aanwezig. Daarna rijden de verdachten rechtstreeks naar [slachtoffer] , waarbij [medeverdachte] in de richting van [slachtoffer] wijst. Verdachte stapt af en na een korte woordenwisseling vuurt hij twee kogels op [slachtoffer] af. Daarna rijden de verdachten samen weg. De verklaring van verdachte dat hij enkel wilde dreigen en pas schoot toen hij dacht dat [slachtoffer] iets uit zijn zak pakte, vindt geen steun in het dossier. Ook zijn verklaring dat hij niet wist dat het een echt vuurwapen betrof, vindt de officier van justitie ongeloofwaardig. Ook acht hij feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft het wapenbezit bekend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot moord/doodslag kan komen en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Er is geen sprake van voorbedachte raad. Er was geen voornemen en verdachte heeft geen moment gehad om zich te (kunnen) beraden. Het moment in de [straat] kan niet als zodanig worden gekwalificeerd. Verdachte heeft in een gemoedsopwelling het vuurwapen uit zijn tasje gehaald en direct de trekker overgehaald, nadat hij werd geconfronteerd met de bedreigende situatie van [slachtoffer] die op hem afliep. Ook heeft verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] gehad. Hij wilde [slachtoffer] enkel laten schrikken en was in de veronderstelling dat hij een alarmpistool bij zich droeg. Gezien het kaliber, de afstand en het letsel was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . Ook is er geen sprake van medeplegen. Verdachten hebben geen nauwe en bewuste samenwerking gehad en niet is gebleken dat [medeverdachte] wist van de aanwezigheid van het vuurwapen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit (poging zware mishandeling) refereert de verdediging zich, behoudens de voorbedachte rade en het medeplegen, aan het oordeel van de rechtbank. Ook voor feit 2 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Wat is er gebeurd?
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 22 juni 2025 een schietpartij in Vlissingen heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] door verdachte met een (omgebouwde) revolver van het kaliber .22 Lr is beschoten. Aan het schieten door verdachte ging een conflict tussen hem, zijn familie en [slachtoffer] vooraf, waarvan ook [medeverdachte] op de hoogte was. De precieze aard en achtergrond van het conflict is de rechtbank niet duidelijk geworden.
Verdachte en [medeverdachte] reden in de betreffende nacht, voorafgaand aan de schietpartij, meerdere rondjes op de fatbike van [medeverdachte] in het uitgaansgebied van Vlissingen. [medeverdachte] reed en verdachte zat achterop, waarbij de verdachte en [medeverdachte] op enig moment [slachtoffer] op een muurtje tegenover [uitgaansgelegenheid] hebben zien zitten. De verdachten rijden op de fatbike om 3:49:16 uur de [straat] in. Verdachte stapt af, loopt een stukje de straat in, staat kort stil en keert daarna terug naar [medeverdachte] en stapt weer achterop de fatbike. Om 3:49:55 uur rijden de verdachten de [straat] uit en rijden vervolgens rechtstreeks naar [slachtoffer] , waarna verdachte van de fatbike afstapt. Verdachte en [slachtoffer] lopen naar elkaar toe en ondertussen vindt er een woordenwisseling plaats. Op dat moment haalt verdachte het vuurwapen uit zijn tasje, richt daarmee op de buik van [slachtoffer] en haalt twee keer, op korte afstand en terwijl zij naar elkaar toelopen, de trekker over. Na de schietpartij stapt verdachte achterop bij [medeverdachte] en rijden samen weg. Dat verdachte letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, is niet betwist en wordt ook ondersteund door de medische informatie in het dossier. Daaruit volgt dat [slachtoffer] in zijn buik is geraakt en dat de kogel onder lokale verdoving moest worden verwijderd. De andere kogel is op zijn borst afgeketst en is niet in zijn huid gedrongen.
De vragen die de rechtbank moet beantwoorden zijn of er sprake is van opzet, of de schietpartij kan worden gekwalificeerd als poging tot moord, doodslag of zware mishandeling en of er sprake is van medeplegen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Opzet
Opzet is aanwezig als verdachte ten tijde van zijn handelen de bedoeling had om het slachtoffer te doden. Onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust en gericht tweemaal van een korte afstand op de borst en de buik van [slachtoffer] heeft geschoten en dat deze gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op het doden van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de wil van verdachte daarop was gericht. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in het proces-verbaal van de politie is geconcludeerd dat een projectiel van een .22 Lr kogelpatroon dodelijk kan zijn, als er wordt geschoten op een zeer korte afstand en het raken daarmee in een kwetsbaar gebied van het menselijk lichaam is. De rechtbank stelt vast dat de buik, waarop verdachte bewust heeft gericht, een zacht en kwetsbaar gebied van het menselijk lichaam is waar ook vitale organen zitten.
Dat verdachte heeft verklaard dat hij enkel heeft geschoten om [slachtoffer] te laten schrikken en om over zijn eigen angst heen te komen, wordt niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Integendeel, verdachte heeft zelf bij de politie en ter zitting verklaard dat hij gericht heeft geschoten op de onderbuik van [slachtoffer] . De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] alleen wilde laten schrikken dan ook niet aannemelijk. Voor zover verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] met zijn hand richting zijn lies ging en dat hij daardoor dacht dat [slachtoffer] ook een vuurwapen pakte, stelt de rechtbank vast dat ook deze verklaring niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Integendeel, uit het proces-verbaal van de politie, waarin de camerabeelden van het [organisatie] zijn beschreven, blijkt dat [slachtoffer] zijn armen spreidt op het moment dat hij naar verdachte toeloopt. Ook de verklaring van verdachte dat hij het vuurwapen voor een onbekend gebleven persoon bij zich moest houden en in de veronderstelling was dat hij slechts een alarmpistool bij zich droeg en niet een scherpschietende revolver, vindt geen steun in het dossier en is voor de rechtbank niet verifieerbaar nu verdachte niet heeft willen verklaren voor wie hij het wapen bij zich moest houden. Dat verdachte niet wist dat het om een echt vuurwapen ging, acht de rechtbank niet aannemelijk gelet op het dossier waaruit volgt dat verdachte zich veelvuldig met wapens bezighield. Het dossier bevat foto’s en video’s waarop verdachte met één of meer wapens (alarmpistolen) te zien is en uit de chatberichten leidt de rechtbank af dat verdachte zich via sociale media bezighield met de bemiddeling bij (ver)koop van wapens. Daarnaast heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij vaker wapens van anderen heeft gekregen, dat hij een alarmpistool in zijn bezit heeft gehad en dat hij weet hoe wapens en het herladen daarvan werkt. Daar komt bij dat de loop van de (omgebouwde) revolver van het kaliber .22 Lr, waarmee verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, een andere kleur heeft dan de rest van de revolver. Gezien de ervaring van verdachte met wapens en dat hij eerder een alarmpistool in zijn bezit heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist dat hij een echt vuurwapen bij zich droeg.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van opzet op de dood van [slachtoffer] in de vorm van bewust en gericht handelen, dus vol opzet.
Voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en er aldus sprake is van een poging tot moord. Om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ te kunnen komen, moet vast komen te staan dat verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, hebben de verdachten rondjes gereden, zagen zij op enig moment [slachtoffer] zitten en zijn zij vervolgens naar de [straat] gegaan. In die straat is verdachte afgestapt, is hij een stukje de straat ingelopen, heeft daar een korte tijd stilgestaan en is hij kort daarna terug naar [medeverdachte] gegaan. Daarna zijn de verdachten rechtstreeks naar [slachtoffer] gereden en is [slachtoffer] door verdachte beschoten. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte op dat moment in die straat heeft bedacht dat hij over zijn angst heen wilde stappen en de confrontatie met [slachtoffer] wilde aangaan, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard. Op basis hiervan kan de rechtbank echter niet vaststellen dat verdachte op dat moment een weloverwogen plan heeft gemaakt om [slachtoffer] te doden en zich te beraden over de betekenis en de gevolgen daarvan. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat er een (gezamenlijk) vooropgezet plan was. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verdachte niet met het vuurwapen in zijn hand achterop bij [medeverdachte] is gestapt, maar dat het vuurwapen in zijn tasje zat en verdachte deze pas eruit heeft uitgehaald op het moment dat verdachte en [slachtoffer] naar elkaar toeliepen en een woordenwisseling hadden. De rechtbank stelt derhalve vast dat niet kan worden uitgesloten dat verdachte het wilsbesluit om te schieten pas ter plekke heeft genomen op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] naar hem toeliep en daarmee in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de voorbedachte raad niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en zal verdachte van de poging tot moord vrijspreken, zoals impliciet primair is ten laste gelegd.
Tussenconclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals impliciet subsidiair onder het primaire feit is ten laste gelegd.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of sprake is van medeplegen. Om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘medeplegen’ te komen, is vereist dat komt vast te staan dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Wanneer een gezamenlijke uitvoering niet kan worden vastgesteld, kan er alsnog sprake zijn van medeplegen. Dit kan het geval zijn als [medeverdachte] wist dat verdachte op [slachtoffer] zou schieten en als de bijdrage van [medeverdachte] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Daarbij geldt een dubbel opzetvereiste. Er moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking als op de schietpartij zijn.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat [medeverdachte] voordat er werd geschoten enige wetenschap van het vuurwapen had dat verdachte bij zich droeg. Het vuurwapen zat in het tasje van verdachte en het dossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat het vuurwapen voorafgaand aan de schietpartij zichtbaar is geweest voor [medeverdachte] . Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, bevat het dossier geen aanwijzingen waaruit blijkt dat er een (gezamenlijk) vooropgezet plan was om op [slachtoffer] te schieten. Dat [medeverdachte] een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd bij de schietpartij, is evenmin vast te stellen. Op de camerabeelden van de [straat] is niet overduidelijk te zien dat [medeverdachte] , met de armbeweging die hij maakt, [slachtoffer] aanwijst. De lezing van de officier van justitie op dit punt wordt ook niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Integendeel, bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat hij niet 100% zeker weet of hij fysiek door [medeverdachte] is aangewezen. Daarnaast hecht de rechtbank er ook waarde aan dat verdachte zich in de [straat] afzondert en er in die straat verder geen contact tussen verdachte en [medeverdachte] is geweest. De rechtbank vindt het wel opmerkelijk dat de verdachten vanuit de [straat] rechtstreeks naar [slachtoffer] rijden en verdachte kort daarna twee kogels op hem afvuurt, maar op basis hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat [medeverdachte] wetenschap van het vuurwapen had, dat hij wist dat verdachte op [slachtoffer] zou gaan schieten en dat [medeverdachte] een bijdrage van voldoende gewicht aan het strafbare feit heeft geleverd. Dat [medeverdachte] de bestuurder van de fatbike was en samen met verdachte rondjes heeft gereden, dat hij met woorden aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat [slachtoffer] op een muurtje zat, het aanwezig zijn ter plaatse en dat de verdachten na de schietpartij samen zijn weggereden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen.
De officier van justitie heeft nog gewezen op een filmpje op de telefoon van [medeverdachte] , gemaakt op 21 juni 2025 om 22:22 uur, waarop [medeverdachte] onder meer zegt “
And tonight we gonna shoot everybody man”. Niet is echter vast te stellen dat verdachte en [medeverdachte] toen al samen waren en evenmin kan hieruit worden afgeleid dat dit filmpje ziet op het gaan schieten op [slachtoffer] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat [medeverdachte] niet kan worden gezien als een strafbare medepleger van de schietpartij. Dit betekent dat in de strafzaak tegen verdachte een partiële vrijspraak dient te volgen, omdat er geen bewijs is dat hij het bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft begaan.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 22 juni 2025 een revolver en knalpatronen voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook bekend. Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat er geen bewijs is dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft begaan. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] na de schietpartij met verdachte is weggereden en vanaf dat moment in ieder geval wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen en de munitie geeft hem niet zonder meer ook beschikkingsmacht over het wapen. De omstandigheid dat [medeverdachte] op 26 juni 2025 met het desbetreffende wapen is aangehouden is daarvoor ook niet voldoende, nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat hij het wapen ook op 22 juni 2025 van verdachte heeft ontvangen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1 impliciet subsidiair onder het primaire feit
op 22 juni 2025 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met een vuurwapen meerdere kogels heeft afgevuurd op het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
op 22 juni 2025 te Vlissingen
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22 Lr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en
- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten knalpatronen van het merk CCI, kaliber .22 Lr voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uur en een jeugddetentie van 360 dagen, met aftrek van voorarrest (die hij op 142 dagen berekent), waarvan 218 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) in haar rapport en ter zitting is aangevuld. De officier van justitie heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en dat sprake is van meerdaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van verdachte en zijn omstandigheden, de schorsingsperiode en de positieve lijn die verdachte sindsdien heeft ingezet. De verdediging verzoekt verdachte niet opnieuw naar de justitiële jeugdinrichting te sturen en de ingezette hulp niet te doorkruisen. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit komt, verzoekt de verdediging een werkstraf op te leggen en dit in te kaderen met de geadviseerde bijzondere voorwaarden. In geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit komt, wordt verzocht om een straf gelijk aan voorarrest op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 15-jarige leeftijd schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (omgebouwde) revolver van het kaliber .22 Lr met knalpatronen en een poging tot doodslag door het slachtoffer van korte afstand twee keer met die revolver te beschieten. Dit zijn zeer ernstige strafbare feiten. Wapenbezit gaat gepaard met het grote risico dat dit wordt gebruikt en dat is in dit geval gebeurd. Het letsel dat verdachte bij het slachtoffer heeft veroorzaakt, is gelukkig beperkt gebleven maar verdachte had het slachtoffer ook dodelijk kunnen verwonden. Dat het slachtoffer het heeft overleefd, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Door zijn handelen heeft verdachte het leven van het slachtoffer op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht en hem pijn en letsel toegebracht. De rechtbank weegt ook mee dat de schietpartij op straat in een uitgaansgebied heeft plaatsgevonden en dat andere mensen niets vermoedend met dit geweld zijn geconfronteerd in wat voor hun een veilige omgeving moet zijn. Een dergelijk gewelddadig feit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar vergroot ook de onrust en het gevoel van onveiligheid en angst voor de samenleving. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
De rechtbank houdt rekening met de meerdaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 9 april 2026. Daaruit volgt dat verdachte eerder in aanraking met politie en justitie is geweest, maar niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Ook slaat de rechtbank acht op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 februari 2026 dat over verdachte is opgemaakt en de toelichting en het advies dat door de vertegenwoordigster van de Raad tijdens de zitting is gegeven. De vertegenwoordigster handhaaft het advies zoals weergegeven in haar rapport. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat en de Raad vindt het belangrijk dat de jeugdreclassering betrokken blijft en dat de ITB Harde Kern Aanpak wordt voorgezet. Verdachte is gebaat bij het strakke kader en onduidelijk is nog of verdachte (zelfstandig) de prille, positieve ontwikkeling kan voortzetten zodra hij meer vrijheden krijgt. De Raad adviseert om een werkstraf, een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport en de aanvullende bijzondere voorwaarde dat verdachte moet meewerken aan het onderzoek van het [bureau] te [geboorteplaats] (hierna: [bureau] ) en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeladviezen. Verder adviseert de Raad dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De bij verdachte betrokken jeugdreclasseerder heeft toegelicht dat het belangrijk is dat de begeleiding vanuit de jeugdreclassering wordt voorgezet. Hij maakt zich grote zorgen over verdachte en de komende zomerperiode. Vlissingen is een groot risicogebied voor verdachte. Sinds de schorsing is hij twee keer door de politie gezien met andere jongeren die geen positieve invloed op elkaar hebben. Verdachte heeft vier uur per dag ambulante begeleiding en twee uur per week school, met uitzondering van de zomervakantie. In de avonden werkt hij bij zijn broer. Op dit moment van 18:00 tot 23:00 uur. Voor volgend schooljaar is verdachte aangemeld bij [school] . Ook is hij aangemeld bij [bureau] om te kijken welke behandeling hij nodig heeft. De jeugdreclasseerder vindt het een goed idee dat verdachte de enkelband moet dragen tot na de zomervakantie of tot het moment dat hij met zijn familie naar Marokko op vakantie gaat, waarbij ook zal worden gekeken naar een uitbreiding van de tijden.
Oplegging van de straf
Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de hiervoor genoemde adviezen en omstandigheden in aanmerking, alsook de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest rechtvaardigen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het niet in het belang van verdachte is als hij terug naar de justitiële jeugdinrichting moet. Verdachte is meer gebaat bij hulp en begeleiding om de prille, positieve ontwikkeling voort te zetten. Om verder recht te doen aan de ernst van de feiten en om te voorkomen dat verdachte zich (opnieuw) zal bezig houden met het plegen van strafbare feiten, ziet de rechtbank reden om verdachte daarnaast een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit zodat verdachte verder wordt begeleid door onder andere de jeugdreclassering. De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat de officier van justitie bij zijn strafeis onder feit 1 is uitgegaan van een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot moord. Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is gekomen, legt zij een lagere werkstraf op dan is gevorderd.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat 360 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest welke de rechtbank op 143 dagen begroot, waarvan 217 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf van 100 uren passend en geboden is. Aan de voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad in haar rapport en de aanvullende voorwaarde ter zitting dat verdachte moet meewerken aan het onderzoek van [bureau] en eventueel daaruit voortvloeiende behandeladviezen. Daarnaast zal de rechtbank, gelet op de toelichting van de jeugdreclasseerder en de stevige vrijheidsbeperking van het locatiegebod, bepalen dat de elektronische controle van het huisgebod tot maximaal 1 oktober 2026 geldt. Dit zodat er gedurende de zomerperiode extra toezicht is en verdachte een goede start van het nieuwe schooljaar kan gaan maken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf die gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op voornoemd rapport en de voornoemde adviezen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder de juiste hulp, duidelijke kaders en begeleiding opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Zij vindt het daarom van belang dat de noodzakelijk geachte begeleiding ook bij een eventueel in te stellen hoger beroep wordt voortgezet. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.De vordering van de benadeelde partij

Feit 1
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, door tussenkomst van mr. M.R. Minekus, advocaat te Middelburg, een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 28.953,88, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 8.953,88 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Ten aanzien van het verlies van verdienvermogen is door mr. Minekus ter zitting nog toegelicht dat er geen gesprek over de verlenging van een arbeidsovereenkomst wordt ingepland als een werkgever niet voornemens is om deze te verlengen. Een tijdelijke arbeidsovereenkomst loopt immers van rechtswege af.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schadevergoeding, met uitzondering van de schadepost verlies van verdienvermogen, voldoende met stukken is onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar is. Voor het verlies van verdienvermogen ontbreekt het causale verband, nu uit de overgelegde brief niet zonder meer kan worden afgeleid dat de arbeidsovereenkomst van [slachtoffer] zou worden verlengd. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding meent de officier van justitie dat het bedrag moet worden gematigd. Hij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het verlies van verdienvermogen en de reiskosten naar het getuigenverhoor, nu deze laatste kosten door de rechtbank worden vergoed. Op basis van de stukken is niet vast te stellen dat de arbeidsovereenkomst van [slachtoffer] zou worden verlengd en nader onderzoek hiernaar vormt een onevenredige belasting van het strafproces. Verder verzoekt de verdediging de immateriële schadevergoeding fors te matigen en de benadeelde partij in het overige deel niet ontvankelijk te verklaren.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het impliciet subsidiair onder het primaire feit (poging tot doodslag) heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het slachtoffer en dat hij verplicht is de schade die hij daardoor heeft geleden te vergoeden.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 8.953,88 gevorderd aan materiële schade, bestaande uit € 160,- aan een trainingspak, € 346,- aan eigen risico, € 48,84 aan reiskosten en € 8.399,04 aan verlies van verdienvermogen. De rechtbank zal deze vordering voor een bedrag van
€ 554,84toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat de kosten van het trainingspak, het eigen risico en de reiskosten in voldoende rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde en voldoende met stukken zijn onderbouwd. De rechtbank wijst ook de reiskosten van het getuigenverhoor toe, omdat het slachtoffer niet kan worden verplicht om een kostenvergoeding bij de rechtbank te vragen.
Voor het verlies van verdienvermogen is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost onvoldoende is onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst van het slachtoffer door het bewezenverklaarde niet is verlengd. Het vereist nader onderzoek om dit uit te zoeken, welk onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Daarom zal de benadeelde partij voor wat betreft dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 20.000,- gevorderd aan immateriële schade.
De door het slachtoffer geleden immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van
€ 3.000,-, gelet op de omstandigheden, de onderbouwing die aan de vordering ten grondslag ligt en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het incident een grote impact op het slachtoffer heeft (gehad). Het slachtoffer is angstig en alert in openbare ruimtes en is voornemens om EMDR-therapie te gaan volgen. Daarnaast heeft het slachtoffer pijn en hinder door het handelen van verdachte ondervonden en moest de kogel in zijn buik operatief worden verwijderd. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het incident ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank weegt verder mee dat uit de medische informatie in het dossier volgt dat het slachtoffer één maand na het incident geen klachten meer had en het incident geen blijvende gevolgen voor zijn gezondheid heeft (gehad), uitgezonderd van de littekens. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 22 juni 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Kostenveroordeling
Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, nu er geen proceskosten zijn gevorderd tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het impliciet primair onder het primair ten laste gelegde feit 1;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 impliciet subsidiair onder het primaire feit:Poging tot doodslag;
feit 2:Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf van 100 (honderd) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
50 (vijftig) dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 360 (driehonderdzestig) dagen waarvan 217 (tweehonderdzeventien) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* zich houdt aan het kader met alle regels en afspraken die horen bij de ITB HKA;
* geen contact heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] -2003 en met [medeverdachte] , geboren [geboortedag 3] -2007;
* geen drugs en alcohol gebruikt, waarbij verdachte ten behoeve hiervan dient mee te werken aan urinecontroles indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* geen wapens bezit en/of gebruikt;
* meewerkt aan Elektronische Monitoring, waarbij een locatiegebod met huisarrest geldt voor het [adres] , met uitzondering van reizen van en naar school, dagbesteding en begeleiding. Alle reisbewegingen die worden gemaakt, worden vooraf overlegd met de jeugdreclassering en opgenomen in het HKA weekrooster. Verdachte reist enkel onder begeleiding van een door de jeugdreclassering aangewezen volwassene, indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. De jeugdreclassering krijgt toestemming om inzage te hebben in alle bewegingen van verdachte.
De elektronische monitoring geldt tot maximaal 1 oktober 2026 of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht;
* zich houdt aan de afspraken die gelden vanuit school en/of dagbesteding;
* inzicht in zijn sociale contacten geeft;
* meewerkt aan behandeling welke zich richt op agressieregulatie/conflicthantering indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* meewerkt aan het onderzoek van [bureau] en eventueel daaruit voortvloeiende behandeladviezen;
- bepaalt dat
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaardendat verdachte:
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zeeland te Middelburg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- stelt in dat verband vast dat verdachte de jeugddetentie reeds heeft uitgezeten;
Benadeelde partij
Feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van
€ 3.554,84, waarvan € 554,84 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] , € 3.554,84te betalen, waarvan € 554,84 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
0 dagen gijzelingkan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. N.C.W. Haesen, (kinder-)rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2026.
Mr. Haesen en mr. Vork zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.