Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5106

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
11032849 \ MB VERZ 24-486
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen verkeersboete wegens onduidelijke bewijsvoering en overschrijding redelijke termijn

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet geven van een richtingaanwijzer bij het inhalen op de A59 te Waalwijk op 3 september 2023. Betrokkene stelde zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig had ingehaald en dat de verklaring van de verbalisant tegenstrijdig en onvoldoende was om de overtreding vast te stellen.

De officier van justitie verklaarde het administratief beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting werd benadrukt dat de verklaring van de verbalisant onduidelijkheden bevatte, zoals de positie van de voertuigen en het gebruik van een onjuiste feitcode. Ook werd aangevoerd dat aanvullende vragen gesteld hadden moeten worden conform het Keskin-arrest.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging niet voldoende was komen vast te staan vanwege de onduidelijkheden en het ontbreken van een aanvullend proces-verbaal. Daarnaast was de redelijke termijn overschreden, wat aanleiding gaf tot matiging van de sanctie. De boete en de beslissing van de officier van justitie werden vernietigd, het betaalde bedrag werd terugbetaald en een proceskostenvergoeding van €566,50 werd toegekend.

Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd vanwege onvoldoende bewijs en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 11032849 \ MB VERZ 24-486
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 18 mei 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 mei 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is verschenen mr. B. Benedict. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: bij inhalen geen teken met richtingaanwijzer geven op de A59 te Waalwijk op 3 september 2023 om 11:42 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat betrokkene zich niet met de beslissing van de officier van justitie kan verenigen. Verder wordt verzocht de sanctie te matigen wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Aanvullend wordt gesteld dat betrokkene niet rechts heeft ingehaald en de verklaring van de verbalisant ontoereikend is. De gedraging kan niet worden vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens. De verklaring van de verbalisant is bovendien tegenstrijdig, nu hij verklaart dat hij op rijstrook 1 reed en betrokkene hem via de uitvoegstrook inhaalde. Op de pleeglocatie ligt de uitvoegstrook namelijk niet naast rijstrook 1, maar naast rijstrook 2. Voorts is een onjuiste feitcode gebruikt. De juiste feitcode is R619a. Wijziging is niet mogelijk vanwege een hoger sanctiebedrag. Verder wordt door betrokkene verzocht aanvullende vragen te stellen gelet op het Keskin-arrest.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat het onlogisch is dat de verbalisant het zo heeft verklaard alsof hijzelf door betrokkene is ingehaald. De onduidelijkheden in zijn verklaring hadden in dit geval weggenomen kunnen worden middels een aanvullend proces-verbaal.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Een mogelijke verwarring in de rijstroken maakt niet dat de gedraging niet kan worden verricht. Nergens blijkt uit dat het op de directe nabijgelegen rijstrook moet gebeuren. Verder is het gerechtvaardigd dat de verbalisant als bijrijder in een privévoertuig geen staandehouding kon verrichten. Aangezien het zaakoverzicht voldoende duidelijk is, ziet de zittingsvertegenwoordiger geen aanleiding om de verbalisant te horen en vragen te stellen vanwege het Keskin-arrest. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de verklaring van de verbalisant onduidelijk is en die onduidelijkheden niet zijn weggenomen middels het inbrengen van een aanvullend proces-verbaal. Niet duidelijk is wat de posities van de voertuigen waren ten opzichte van elkaar, waarom niet is staandegehouden en of er sprake is van een gedraging waarvoor twee bekeuringen zijn uitgeschreven. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is voor de fase bij de kantonrechter de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing. [1] De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 666,- = € 333,00
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- =
€ 467,00
€ 934,00
vermenigvuldigingsfactor x 0,25 =
€ 233,50
€ 566,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 119, dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 566,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending:

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.