Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5111

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
02-151253-26
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 SvArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a SvArt. 78 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schorsing voorlopige hechtenis wegens ernstige bezwaren en risico herhaling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 juni 2026 in raadkamer besloten het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte af te wijzen. De voorlopige hechtenis was bevolen op 29 mei 2026 en de officier van justitie had gevangenhouding gevorderd voor 90 dagen. De rechtbank constateerde dat de ernstige bezwaren die tot het bevel tot bewaring leidden, nog steeds aanwezig zijn.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder aangifte, politierapporten, foto’s van letsel, een pluk haar, een kapotte telefoon, letselinformatie en getuigenverklaringen. Er is vrees voor herhaling, mede gezien de justitiële voorgeschiedenis van verdachte en het feit dat hij ondanks een gedragsaanwijzing het slachtoffer heeft mishandeld terwijl kinderen in de woning aanwezig waren.

Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf van twee weken werd afgewezen. De rechtbank volgde het oordeel van het hof ’s-Hertogenbosch dat de executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties in principe niet wordt doorbroken, tenzij er zwaarwegende persoonlijke belangen zijn. Deze waren in dit geval niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank nam de relevante artikelen uit het Wetboek van Strafvordering in acht en besloot de gevangenhouding voor 90 dagen te bevelen en het schorsingsverzoek af te wijzen.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing voorlopige hechtenis afgewezen; gevangenhouding voor 90 dagen bevolen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-151253-26
bevel gevangenhouding van de rechtbank, meervoudige raadkamer in strafzaken van 9 juni 2026
(artikel 65 Wetboek Pro van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres]
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [plaats] .
Raadsman mr. S.M. van der Want.

Procedure

De rechter-commissaris heeft op 29 mei 2026 de bewaring bevolen.
De officier van justitie heeft de gevangenhouding van de verdachte gevorderd voor de duur van 90 dagen.
De verdediging heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank heeft de officier van justitie mr. N. van Diggelen, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

Na onderzoek is gebleken dat de ernstige bezwaren en de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook op dit moment nog bestaan.
De rechtbank ziet voldoende ernstige bezwaren in de aangifte, de processen­verbaal van politie, de foto’s onder andere van letsel en een pluk haar en een kapotte telefoon, de letselinformatie en de verklaring van de getuige. Ook gronden acht de rechtbank in voldoende mate aanwezig. Gevreesd moet worden voor herhaling gelet op zijn justitiële voorgeschiedenis en door het feit dat verdachte zich zelfs niet laat tegenhouden door het feit dat zijn kinderen in de woning van aangeefster liggen te slapen.
Ernstige bezwaren
Uit de stukken blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte dat deze de strafbare feiten
vermeld in de vordering heeft gepleegd.
Gronden
Uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke
veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert.
- Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of
meer is gesteld.
- Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden
gebracht.
- Het betreffende feit het gevolg is van een zo disproportionele reactie op een geringe aanleiding, dat voor herhaling moet worden gevreesd;
hetgeen blijkt uit de omstandigheid/omstandigheden dat:
- verdachte wordt verdacht van een of meer feit(en) waaraan slechts door ingrijpen
van politie/justitie een einde is gekomen;
- verdachte wordt verdacht van een of meer feit(en) terwijl de omstandigheden van
verdachte en/of die waaronder deze feiten zijn gepleegd, ongewijzigd zijn gebleven;
- verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor (een)
(soortgelijk(e)) delict(en);
- verdachte, ondanks de hem zeer recent opgelegde gedragsaanwijzing, toch naar de
woning van het slachtoffer is gegaan, haar heeft mishandeld en haar telefoon heeft
vernield, terwijl er meerdere kinderen in de woning aanwezig waren. Er bestaat
hierdoor vrees voor de veiligheid van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment niet aan de orde is.
Schorsingsverzoek
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen voor de executie van een
onherroepelijke gevangenisstraf van twee weken in de strafzaak met parketnummer 96-201023-25. De rechtbank overweegt het volgende.
Het gerechtshof te ’s Hertogenbosch heeft in de beschikking van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1976) het volgende overwogen. De executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties is neergelegd in artikel 1:4 van Pro de ministeriële regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Regeling). Uit die Regeling volgt dat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorgaat op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en overige vrijheidsbenemende sancties. Artikel 1:9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat van de executievolgorde niet wordt afgeweken, tenzij “uit een persoonsgerichte beoordeling volgt dat dit bijdraagt aan een persoonsgerichte invulling van de tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 1:2, tweede lid, onder a, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen”. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat het schorsen van de voorlopige hechtenis ter fine van de executie van een onherroepelijk opgelegde gevangenisstraf in zijn algemeenheid niet zelden gepaard gaat met een aantal zwaarwegende praktische bezwaren, die in voorkomende gevallen ook (maatschappelijk ongewenste) risico’s met zich kunnen brengen, is het hof van oordeel dat als uitgangspunt dient te gelden dat verzoeken als het onderhavige dienen te worden afgewezen, tenzij er sprake is van zwaarwegende persoonlijke belangen. Daarbij verdient opmerking dat naar het oordeel van het hof het - mede door de rechtspraak van het EHRM vormgegeven - ‘subsidiariteitsbeginsel’ niet aldus dient te worden uitgelegd dat dit beginsel de rechter dwingt om in alle gevallen het uitzitten van een gevangenisstraf voor te laten gaan op de voorlopige hechtenis.
Tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van de executie van een onherroepelijke gevangenisstraf kan derhalve worden overgegaan indien sprake is van een zodanig zwaarwegend persoonlijk belang van verdachte dat een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van executie. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen namens verdachte als persoonlijk belang naar voren is gebracht niet als een zwaarwegend persoonlijk belang in de hiervoor genoemde zin aan te merken. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal dan ook worden afgewezen.
De rechtbank neemt de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van
90 (negentig) dagen;
wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 9 juni 2026 door:
mr. G.H. Nomes, voorzitter,
mr. L.W. Boogert en mr. B. Akdikan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.J. Gentenaar van der Landen, griffier.