Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[verdachte] ,
Procedure
Beoordeling
Beslissing
90 (negentig) dagen;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 9 juni 2026 in raadkamer besloten het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte af te wijzen. De voorlopige hechtenis was bevolen op 29 mei 2026 en de officier van justitie had gevangenhouding gevorderd voor 90 dagen. De rechtbank constateerde dat de ernstige bezwaren die tot het bevel tot bewaring leidden, nog steeds aanwezig zijn.
De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder aangifte, politierapporten, foto’s van letsel, een pluk haar, een kapotte telefoon, letselinformatie en getuigenverklaringen. Er is vrees voor herhaling, mede gezien de justitiële voorgeschiedenis van verdachte en het feit dat hij ondanks een gedragsaanwijzing het slachtoffer heeft mishandeld terwijl kinderen in de woning aanwezig waren.
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten behoeve van het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf van twee weken werd afgewezen. De rechtbank volgde het oordeel van het hof ’s-Hertogenbosch dat de executievolgorde van vrijheidsbenemende sancties in principe niet wordt doorbroken, tenzij er zwaarwegende persoonlijke belangen zijn. Deze waren in dit geval niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank nam de relevante artikelen uit het Wetboek van Strafvordering in acht en besloot de gevangenhouding voor 90 dagen te bevelen en het schorsingsverzoek af te wijzen.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing voorlopige hechtenis afgewezen; gevangenhouding voor 90 dagen bevolen.