Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5152

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/6283
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 AnwArt. 14 AnwArt. 16 Anw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing laattijdige aanvraag nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

Eiseres diende een aanvraag in voor voortzetting van een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) nadat haar jongste kind 18 jaar werd, waardoor de uitkering stopte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan de arbeidsongeschiktheidscriteria van minimaal 45% op de datum dat het kind 18 werd.

Na bezwaar en een medisch onderzoek door het UWV, waarbij verzekeringsartsen concludeerden dat eiseres op die datum niet arbeidsongeschikt was, bleef de Svb bij haar besluit. Eiseres voerde aan dat zij vanwege psychische klachten en een traumatisch verleden niet in staat was volledig te functioneren, maar kon dit niet objectief aantonen met medische documentatie uit die periode.

De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat het tijdsverloop van ruim zeven jaar de bewijsvoering bemoeilijkte. Zonder objectief bewijs van arbeidsongeschiktheid op de relevante datum kon eiseres geen aanspraak maken op de uitkering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen recht op vergoeding van griffierechten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar Anw-uitkering is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid op de relevante datum.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6283 ANW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht(de Svb), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de beslissing van de Svb dat aan eiseres geen uitkering op grond van de Anw wordt toegekend juist is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Svb terecht niet (meer) een Anw-uitkering aan eiseres heeft toegekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 augustus 2024 (primair besluit) heeft de Svb de aanvraag van eiseres om een Anw-uitkering afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is de Svb bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens de Svb mr. P. Stahl-de Bruin.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Feiten
3. De echtgenoot van eiseres, [echtgenoot van eiseres] , is op [datum 1] 2001 overleden.
3.1.
Eiseres ontving vanaf 1 november 2001 een Anw-uitkering in verband met het overlijden van haar echtgenoot en het feit dat zij een kind jonger dan 18 jaar had. Met een besluit van 15 augustus 2016 heeft de Svb aan eiseres laten weten dat de uitkering per [datum 2] 2016 stopt, omdat het jongste thuiswonende kind 18 jaar wordt op 26 oktober 2016. In dit besluit staat ook dat nabestaanden nog wel een nabestaandenuitkering kunnen krijgen als ze voor 45% of meer arbeidsongeschikt zijn, en dat als dit bij eiseres het geval is zij contact op kan nemen. Dit heeft zij niet gedaan.
3.2.
Op 22 april 2024 heeft eiseres zich gemeld bij het Svb, met de vraag of de Svb een medisch onderzoek kan laten uitvoeren om vast te stellen of zij voldoet aan de voorwaarden om de Anw-uitkering voort te zetten.
3.3.
De Svb heeft het UWV verzocht om te onderzoeken of eiseres op [datum 2] 2016 minimaal 45% arbeidsongeschikt is in de zin van de Anw en dit (naar verwachting) tenminste drie maanden zal voortduren.
3.4.
Het UWV heeft de Svb op 5 augustus 2024 bericht dat eiseres op [datum 2] 2016 minder dan 45% arbeidsongeschikt was. Op basis daarvan heeft de Svb met het primaire besluit de aanvraag van eiseres afgewezen.
3.5.
Tegen dit primaire besluit heeft eiseres bezwaar bij de Svb gemaakt. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV opnieuw onderzoek gedaan en is het niet tot een andere conclusie gekomen.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit heeft de Svb het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De verzekeringsartsen van het UWV hebben geconcludeerd dat eiseres op en sinds de laatste dag van de maand dat de zoon van eiseres 18 jaar is geworden ( [datum 2] 2016) niet minimaal drie maanden arbeidsongeschikt was in de zin van de Anw. Daarom heeft zij vanaf deze datum geen recht (meer) op de Anw-uitkering.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de beslissing van de Svb dat aan de eiseres geen Anw-uitkering wordt toegekend juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wetgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
7. In geding is de vraag of eiseres op [datum 2] 2016 voldeed aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw om voor een nabestaandenuitkering in aanmerking te komen. Het gaat daarbij volgens artikel 11 van Pro de Anw om de vraag of eiseres op die datum meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Volgens vaste rechtspraak, wordt ervan uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van Pro de Anw zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. [1]
Medische beoordeling
8. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar & beroep (b&b) van het UWV.
9. De verzekeringsarts heeft het dossier van eiseres bestudeerd en heeft eiseres ook gesproken. In het rapport van 2 augustus 2024 concludeert de verzekeringsarts dat er per [datum 2] 2016 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte.
10. De verzekeringsarts b&b heeft het dossier van eiseres bestudeerd en heeft haar op 20 mei 2025 ook gesproken. In het rapport van 22 mei 2025 stelt de verzekeringsarts b&b dat eiseres vanaf 2023 onder behandeling is vanwege psychische problematiek geduid als PTSS met een late expressie. Daarnaast zijn er depressieve klachten die in relatie lijken te staan met haar traumaklachten. De trauma’s bestaan vanuit haar jeugd. Zij geeft aan dat zij daar al langer klachten van had, maar dat zij deze heeft onderdrukt en vermeden, vanuit angst dat haar zoon zou worden afgenomen. Zij heeft niet eerder hulp gezocht. In 2016 was zij niet onder behandeling en zijn er geen diagnoses gesteld rondom haar psychische problematiek. Het is dus weliswaar mogelijk dat zij toen al klachten had van de genoemde trauma’s, maar dit kan niet worden geobjectiveerd, wat wel een voorwaarde is om een verminderd functioneren in arbeid te kunnen aannemen. Er wordt hierbij aangesloten bij de conclusie die de primaire verzekeringsarts heeft getrokken.
De klachten zoals eiseres ze omschrijft tijdens het spreekuur in bezwaar komen overeen met de klachten zoals zij deze heeft beschreven bij de primaire verzekeringsarts. Het feit dat eiseres in 2016 klachten had en beperkingen ervaarde, betekent niet zonder meer dat er ook een verzekeringsgeneeskundige beperkingen moeten worden aangenomen op basis van ziekte of gebrek. Hierbij is het volgens de verzekeringsarts b&b belangrijk om de taak van de verzekeringsarts in het vizier te houden. Het is begrijpelijk dat eiseres klachten ervaart. Het is echter niet de taak van een verzekeringsarts om belemmeringen die eiseres ervaart te registeren. De taak van de verzekeringsarts is om te beoordelen wat eiseres medisch gezien kan of wat in haar vermogen ligt om te doen, zonder dat aantoonbare gezondheidsschade of letsel optreedt bij de aangegeven belastbaarheid. Beperkingen worden slechts geduid, als er sprake is van objectiveerbare stoornissen en deze kunnen bij eiseres per datum in geding niet worden vastgesteld.
Eiseres brengt in bezwaar nieuwe medische informatie in, maar deze heeft betrekking op de periode vanaf 2023 en geeft dus geen nieuwe inzichten over 2016. In het bezwaarschrift en tijdens het spreekuur kwamen geen nog niet bekende medische feiten aan de orde, die een ander licht werpen op de conclusie die door de primaire verzekeringsarts is gesteld. Per [datum 2] 2016 was er volgens de verzekeringsarts b&b geen sprake van beperkingen of arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte.
Beroepsgronden
11. Eiseres heeft tegen het medische oordeel van de verzekeringsarts b&b aangevoerd dat zij in de periode voor 2016 ook niet in staat is geweest volledig en onbeperkt in het leven te staan, maar dat de zorg voor haar toen minderjarige zoon haar drijfveer was. Ze herhaalt hierbij dat om haar zoon te beschermen zij geen huisarts of andere hulpverlener heeft opgezocht, en dat dit tevens de reden is dat er voor 2016 geen medische documentatie is en/of registratie is genoteerd.
Daarnaast heeft eiseres een rapportage van een psycholoog van GGz Breburg van 9 januari 2025 aangeleverd. Hierin komt naar voren dat er sprake is van een post-traumatische stress stoornis (PTSS) met depressieve klachten.
Reactie op de beroepsgronden
12. De verzekeringsarts b&b stelt in een rapport van 2 maart 2026 dat eiseres een laattijdige aanvraag van de Anw-uitkering heeft gedaan. Dan ligt de verantwoordelijkheid bij belanghebbende om objectief aan te tonen dat zij per [datum 2] 2016 beperkt was in haar belastbaarheid. Hierin is zij niet geslaagd. In beroep komt zij met dezelfde argumenten die zij ook bij de verzekeringsarts en tijdens het spreekuur in bezwaar heeft aangegeven. Er worden geen nieuwe feiten aangedragen en ook wordt er in beroep geen nieuwe medische informatie ingebracht. Eiseres wil een gedetailleerde motivatie nader bespreken. De verzekeringsarts b&b ziet geen noodzaak om haar opnieuw uit te nodigen voor een gesprek. Zij is immers al twee maal door een verzekeringsarts gezien en er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden. De beroepsgronden geven geen aanleiding het standpunt te wijzigen.
Oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank stelt voorop dat eiseres pas ruim zeven jaar na de datum in geding een Anw-uitkering heeft aangevraagd, wat de medische beoordeling aanzienlijk heeft bemoeilijkt, zeker nu eiseres op de datum in geding niet in behandeling was. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen, voor risico blijft van degene die zich alsnog meldt. [2] Het is dus aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij op [datum 2] 2016 voor meer dan 45% arbeidsongeschikt was.
14. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsartsen hebben kennisgenomen van de beschikbare medische informatie en zij hebben zelf onderzoek gedaan. Eiseres heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van PTSS met verlate expressie vanuit een traumatische jeugd en het overlijden van haar man, waarvoor zij pas in 2023 behandeling heeft gekregen. Medische objectiveerbare informatie over de datum in geding ontbreekt. Op basis van de beschikbare informatie en het eigen onderzoek van de verzekeringsartsen zijn de conclusies in de rapporten inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die de Svb aanleiding hadden moeten geven de rapporten niet te volgen.
15. De rechtbank stelt vast, en dit wordt door de verzekeringsartsen ook erkend, dat eiseres een zeer belastend verleden heeft en dat zij daardoor ook beperkingen ondervond op de datum in geding. Vanwege het ontbreken van medische stukken kan echter niet worden vastgesteld dat eiseres op die datum voor meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarmee zou voldoen aan de voorwaarden om aanspraak te maken op een uitkering op grond van de Anw.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. Eiseres krijgt daarom haar griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 11 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage – Wettelijk kader
Algemene nabestaandenwet
Artikel 11
Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Artikel 14, eerste en tweede lid
1. Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die:
a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of
b. arbeidsongeschikt is
1°. op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of
2°. op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel
a, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1° en 2° bedoelde dag ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid ten minste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren.
2. Het recht op nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden van de verzekerde.
Artikel 16, eerste en tweede lid
1. Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien:
a. niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b, wordt voldaan; of
b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of
c. de nabestaande de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
2. Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel c met ingang van de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1292, vindbaar op www.rechtspraak.nl.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:872, vindbaar op www.rechtspraak.nl.