ECLI:NL:RBZWB:2026:5178

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/430819 en C/02/443815
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:87 BWArt. 1:94 lid 7 BWArt. 3:185 BWArt. 6:2 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling met vergoedingsrechten voorafgaand aan huwelijk

Partijen zijn in 2024 gehuwd en hebben een minderjarig kind. De man verzocht de echtscheiding uit te spreken, het ouderschapsplan op te nemen, het hoofdverblijf van het kind bij hem te bepalen en de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen, inclusief de woning en vergoedingsrechten. De vrouw verzocht eveneens de echtscheiding uit te spreken, het ouderschapsplan te bevestigen met het hoofdverblijf bij haar, en de woning aan een derde te verkopen.

Tijdens de zitting trokken partijen verzoeken omtrent het hoofdverblijf en zorgregeling in en stemden in met het ouderschapsplan waarin het hoofdverblijf bij de vrouw is. De rechtbank oordeelde dat de man zich terugtrekt uit het leven van het kind, wat niet in het belang van het kind is, maar geen aanleiding geeft tot een onderzoek. De echtscheiding werd uitgesproken en het ouderschapsplan opgenomen.

De woning, gekocht vóór het huwelijk en onderdeel van de beperkte gemeenschap, moet worden getaxeerd. De man krijgt twee maanden na taxatierapport de gelegenheid om de woning over te nemen, inclusief betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Indien hij dit niet kan, wordt de woning verkocht aan een derde. De vrouw heeft een vergoedingsrecht van €105.984,82 uit privévermogen, te voldoen uit de overwaarde. De man stelde een vergoedingsrecht te hebben voor kosten van verbouwing en inboedel, maar dit werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Verder is de auto aan de man toegewezen met bijbehorende lening, de gezamenlijke betaalrekening is beëindigd, en de vrouw krijgt de scooter. De rechtbank wijst de verzoeken toe zoals beschreven en wijst overige verzoeken af.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, ouderschapsplan opgenomen, woning getaxeerd en verdeeld met mogelijkheid tot overname door man, vergoedingsrecht vrouw toegewezen, vergoedingsrecht man afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/430819 FA RK 25-226 (echtscheiding)
C/02/443815 FA RK 26-132 (verdeling)
datum uitspraak 12 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding en verdeling
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,
en
[de vrouw],
thans wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.P.M. Planthof te Goes.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 15 januari 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen met bijlagen;
- het op 7 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoeken;
- het op 7 mei 2025 ontvangen verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken;
- het op 17 juni 2025 ontvangen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan, ingediend namens de vrouw;
- de op 17 juni 2025 gehouden zitting in verband met het ontbreken van stukken en de ingediende onvoldoende concrete verzoeken;
- het aanvullend verzoekschrift strekkende tot verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en vaststelling vergoedingsrecht d.d. 11 augustus 2025 van
mr. Planthof met bijlagen;
- de aanvulling verdeling en verrekening d.d. 12 augustus 2025 van mr. Wouters, met bijlagen;
- de brief van 24 november 2025 van mr. Planthof;
- de brief van 2 maart 2026 van mr. Wouters, houdende vermeerdering verzoek/vordering, tevens overleggen stukken, met bijlagen;
- de brief d.d. 13 maart 2026 van mr. Planthof met bijlagen;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 6 mei 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man, bijgestaan door mr. N. Wouters, kantoorgenote van
mr. R. Wouters, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen, Nederlanders, zijn op [datum] 2024 gehuwd te [plaats 1] .
2.2.
Partijen zijn de ouders van het navolgend minderjarig kind:
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] .

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, na wijziging en vermeerdering van zijn verzoek tot verdeling en verrekening, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding uit te spreken;
- het nog over te leggen c.q. overgelegde door partijen ondertekende ouderschapsplan geheel in de beschikking op te nemen c.q. aan de beschikking te hechten;
- te bepalen dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de man;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouder waar het hoofdverblijf van de minderjarige niet is bepaald met de minderjarige, nader door de rechtbank te bepalen in goede justitie;
- de verdeling en verrekening vast te stellen als volgt:
* dat de onroerende zaak gelegen te [plaats 2] , gemeente Noord-Beveland, aan [adres] , en de hypotheek, op de navolgende wijze in de verdeling worden betrokken:
1. binnen twee weken na ontvangst van de beschikking die in deze zaak wordt gewezen, dienen partijen gezamenlijk een NVM taxateur opdracht te geven de onroerende zaak te taxeren. De kosten van die taxatie komen voor rekening van partijen, ieder voor de helft. Het staat de vrouw vrij om een professional aan te wijzen die bij de taxatie in haar plaats aanwezig zal zijn. De vrouw zelf zal niet aanwezig zijn bij de taxatie;
2. binnen drie maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de taxateur het taxatierapport heeft afgegeven, dient de man aan de vrouw kenbaar te maken of hij de onroerende zaak, alsmede de hypotheek, tegen de door de taxateur getaxeerde waarde wenst over te nemen en of hij daartoe financieel in staat is, in die zin dat het voor hem financieel haalbaar is om, in het kader van de overname van de woning, de helft van de (getaxeerde) overwaarde aan de vrouw te voldoen;
3. als de man de onroerende zaak tegen de getaxeerde waarde wil en kan overnemen, dient hij een door hem aan te wijzen notaris opdracht te geven om binnen een termijn van vijf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de eerder vermelde taxateur het taxatierapport heeft afgegeven, een akte te verlijden waarbij de onroerende zaak, de hypotheek, aan hem worden geleverd. Uiterlijk een dag voor dat notarieel transport dient de man het deel van de overwaarde waarop de vrouw recht heeft, zijnde de helft van de totale overwaarde die aanwezig is, op de derdengeldrekening van de notaris te voldoen met daarbij de onherroepelijke opdracht aan de notaris om dat bedrag direct nadat het notarieel transport heeft plaatsgevonden, uit te betalen op de bankrekening van de vrouw;
4. voor het geval de man financieel niet in staat blijkt te zijn de onroerende zaak over te nemen binnen de aangegeven termijnen, dienen partijen een door hen gezamenlijk aan te wijzen makelaar opdracht te geven de woning tegen een zo hoog mogelijk bedrag aan derden te verkopen. De alsdan te realiseren verkoopopbrengst dient, na aftrek van de bij levering openstaande hypotheekschuld, alsmede de kosten van de door partijen in verband met de verkoop van de onroerende zaak ingeschakelde makelaar, tussen partijen bij helfte te worden verdeeld.
5. de auto en lening die ziet op de auto te verdelen;
6. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 334,84 dient te voldoen in verband met de betalingen van de man aan de CZ;
7. op het moment dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft vast te stellen dat de man een vergoedingsrecht c.q. een vordering op de vrouw heeft van € 7.443,19 + € 9.926,=, zijnde
€ 17.369,19 en dat de vrouw dan aan de man dient te voldoen 50% van dit bedrag, zijnde
€ 8.684,60.
3.2.
De vrouw voert verweer en verzoekt nu, na wijziging en vermeerdering de verzoeken van de man ten aanzien van de echtscheiding en het ouderschapsplan toe te wijzen en de verzoeken ten aanzien van het hoofdverblijf van de minderjarige, de zorgregeling en het echtscheidingsconvenant af te wijzen. Voorts vraagt zij het voorwaardelijk verzoek van de man omtrent het vergoedingsrecht af te wijzen. Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt zij thans, na aanvulling c.q. wijziging daarvan, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding uit te spreken;
- het door partijen ondertekende ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en te bepalen dat de onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking;
- ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap:
I. te bepalen dat de woning dient te worden verkocht aan een derde en daartoe [makelaar] te [plaats 3] als makelaar aan te wijzen teneinde de woning in de verkoop te nemen;
II. te bepalen dat de verkoopopdracht aan de makelaar uiterlijk twee weken na afgifte van de beschikking door partijen dient te worden verstrekt, waarbij ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan de makelaar indien partijen niet binnen twee weken na afgifte van de beschikking een opdracht tot verkoop hebben ondertekend;
III. te bepalen dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;
IV. te bepalen dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de voorbereidingen van de verkoop van de woning waaronder doch niet uitsluitend begrepen de gelegenheid bieden aan potentiële gegadigde(n) tot het doen van één of meer bezichtigingen;
V. te bepalen dat partijen met een op de woning uitgebracht bod dienen in te stemmen, indien de makelaar oordeelt dat een door potentiële gegadigde(n) gedaan bod de best mogelijke prijs is;
VI. te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning, onder aftrek van de hypothecaire geldlening, de aan de verkoop verbonden kosten en het vergoedingsrecht van de vrouw bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
VII. te bepalen dat de auto zonder nadere verrekening aan de man wordt toegedeeld en de man draagplichtig is voor de schuld uit hoofde van de geldlening, waarbij de man is gehouden deze schuld als zijn eigen schuld af te lossen, zulks onder vrijwaring van de vrouw;
- ten aanzien van het vergoedingsrecht van de vrouw:
VIII. te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de huwelijksgemeenschap, welk vergoedingsrecht na verkoop van de woning door partijen zal worden berekend op de wijze zoals beschreven onder kantlijnnummer 21 van het aanvullend verzoekschrift, althans dat de vrouw voor de helft van het bedrag dat zal worden berekend op de wijze zoals beschreven onder kantlijnnummer 21 van het aanvullend verzoekschrift een vergoedingsrecht heeft jegens de man indien en voor zover de huwelijksgemeenschap niet toereikend zou zijn om het gehele vergoedingsrecht van de vrouw te voldoen;
- te bepalen dat de man de scooter met [kenteken 1] binnen zeven dagen na de in deze af te geven beschikking, aan de vrouw dient af te geven.

4.De beoordeling

inzake C/02/430819 FA RK 25-226 (echtscheiding)
Echtscheiding
4.1.
Beide partijen verzoeken de echtscheiding uit de spreken omdat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken zijn op de wet gegrond en zullen worden toegewezen op onderstaande wijze.
Hoofdverblijf, zorgregeling en ouderschapsplan
4.2.
De man verzocht aanvankelijk het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen. Tijdens de zitting heeft de man, gelet op hetgeen partijen na het indienen van het verzoekschrift van de man in het ouderschapsplan zijn overeengekomen, zijn verzoeken omtrent het hoofdverblijf en de zorgregeling ingetrokken. Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.
4.3.
Ook hebben beide partijen tijdens de zitting verklaard dat zij de rechtbank vragen het overgelegde ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en deel uit te laten maken van deze beschikking. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
4.3.1.
In het overgelegde ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw zal zijn en dat er geen zorgregeling wordt overeengekomen tussen de man en de minderjarige. Ook zijn partijen overeengekomen dat gedurende de tijd dat de minderjarige bij de man verblijft de man verantwoordelijk is voor de dagelijkse zorg en gedurende de tijd dat de minderjarige bij de vrouw verblijft zij daarvoor verantwoordelijk is.
4.3.2.
Tijdens de zitting is met partijen en de Raad gesproken over het feit dat de man, zoals blijkt uit de bepalingen in het ouderschapsplan, op dit moment geen rol heeft in het leven van de minderjarige. De man heeft aangegeven vanwege de ‘explosieve’ relatie tussen partijen ook geen rol in het leven van de minderjarige te willen spelen. Dat geeft op dit moment de meeste rust. Omdat de man wel het gezag heeft, kan dit in de toekomst mogelijk nog anders worden, maar op dit moment staat de man nog steeds achter de afspraken zoals die in het ouderschapsplan zijn gemaakt. De vrouw stelt dat zij niks kan veranderen in de huidige situatie; de man wil niet en de vrouw en de minderjarige moeten hiermee leren leven.
4.3.3.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat de huidige situatie, waarin de man zich terugtrekt, niet in het belang van de minderjarige is. Tegelijkertijd ziet de Raad echter geen aanleiding voor een (beschermings)onderzoek. Een dergelijk onderzoek zullen de genoemde zorgen hoogstwaarschijnlijk bevestigen, maar kan de keuze van de man niet veranderen. De Raad kan de man niet dwingen wel een rol te spelen in het leven van de minderjarige. De Raad heeft toegelicht dat zij al reeds ten tijde van de voorlopige voorzieningen hierover indringend met de man heeft gesproken, maar dat ook dat hem kennelijk niet op andere gedachten heeft gebracht.
4.3.4.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de keuze van de man niet in het belang van de minderjarige is. De rechtbank heeft echter geen aanknopingspunten waaruit zij kan afleiden dat de man open staat voor een andere keuze. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank dan ook de verzoeken van partijen om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten en deel uit te laten maken van deze beschikking toewijzen. De rechtbank merkt daarbij nog wel op dat zij hoopt – zoals de man ten tijde van de zitting ook heeft aangegeven – er in de toekomst wellicht verandering komt in de huidige situatie, en de man wel een rol zal gaan spelen in het leven van de minderjarige. Daarvoor is het nodig dat beide partijen gaan werken aan het verbeteren van hun verstandhouding, communicatie en samenwerking en dat de benodigde hulpverlening wordt gestart.
inzake C/02/443815 FA RK 26-132 (verdeling)
4.4.
Beide partijen verzoeken de rechtbank de verdeling vast te stellen op de wijze zoals onder rechtsoverweging 3 (“De verzoeken”) is opgenomen.
4.5.
De rechtbank stelt allereerst vast dat partijen na 1 januari 2018 zijn gehuwd en zij geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen. Partijen zijn derhalve gehuwd in de wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap.
4.6.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap behoren alle goederen die al voor het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren voor het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 15 januari 2025, dat is de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding.
4.7.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Voor de bepaling van de waarde geldt de datum van de verdeling, tenzij partijen anders zijn overeenkomen of in het geval de eisen van redelijkheid en billijkheid dat met zich meebrengen.
4.8.
Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht:
de woning te [plaats 2] , aan [adres] ;
de hypothecaire geldlening bij Achmea Hypotheken B.V.;
de gezamenlijke betaalrekening;
e personenauto Renault met [kenteken 2] ;
de geldlening d.d. 22 oktober 2024 ten bedrage van € 13.250,=;
inboedelgoederen.
4.9.
De man en de vrouw stellen verder nog vergoedingsrechten te hebben; de man heeft daaromtrent een voorwaardelijk verzoek ingediend. De man stelt voorts een vordering op de vrouw te hebben in verband met betalingen door hem ten behoeve van de vrouw aan de CZ. Tot slot heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man de scooter aan de vrouw dient af te geven.
4.10.
De rechtbank zal hetgeen hierboven onder rechtsoverweging 4.8. en 4.9. is genoemd in de navolgende rechtsoverwegingen bespreken en daaromtrent een beslissing nemen. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling vast te kunnen stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten.
4.11.
Voor zover partijen het eens zijn over de verdeling van vermogensbestanddelen zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen in het dictum. In dat geval is er immers op grond van artikel 3:185 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) geen taak weggelegd voor de rechter.
De woning en hypotheek
4.12.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning gelegen te [plaats 2] , aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij Achmea Hypotheken B.V.. De woning is door beide partijen aangekocht voorafgaand aan het huwelijk en is nadat zij zijn getrouwd gaan toebehoren aan de wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap.
4.13.
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden getaxeerd. Tijdens de zitting zijn partijen het eens geworden dat [taxateur] de woning dient te taxeren en dat zij allebei niet bij de taxatie aanwezig zullen zijn. De rechtbank zal bepalen, voor zover dat nog niet is gebeurd, dat partijen zich binnen twee weken na deze beschikking moeten wenden tot deze taxateur die de woning per omgaande zal moeten taxeren tegen de actuele marktwaarde. Indien slechts één van de partijen binnen deze termijn de opdracht aan de taxateur heeft vertrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de taxateur te verstrekken. Voorts zal de rechtbank bepalen dat de kosten van de taxatie voor rekening van beide partijen komen, ieder voor de helft.
4.14.
Tussen partijen is in geschil de vraag of de man nog in de gelegenheid moet worden gesteld, zoals de man dat verzoekt en waartegen de vrouw verweer voert, om de woning over te nemen of dat de echtelijke woning direct aan een derde moet worden verkocht, zoals de vrouw dat verzoekt en waartegen de man verweer voert.
4.14.1.
De man stelt dat hij financieel in staat is om de woning over te nemen; hij is bij een hypotheekadviseur geweest. Hij zou een klein stukje vermogen tekort komen maar dat stukje wordt ‘bijgelapt’ door zijn ouders. Dit is wel deels taxatie afhankelijk. Hij heeft de rechtbank verzocht om hem in de gelegenheid te stellen binnen drie maanden na afgifte van het taxatierapport aan de vrouw kenbaar te maken of hij de onroerende zaak, alsmede de hypotheek, tegen de door de taxateur getaxeerde waarde wenst over te nemen en of hij daartoe financieel in staat is, in die zin dat het voor hem financieel haalbaar is om, in het kader van de overname van de woning, de helft van de (getaxeerde) overwaarde aan de vrouw te voldoen. Hij bewoont thans de woning en zal, indien de woning aan derden wordt verkocht, stappen moeten ondernemen om elders onderdak te vinden.
4.14.2.
De vrouw voert verweer. De man heeft het afgelopen jaar, sinds zijn aankondiging op 16 januari 2025 dat hij het aandeel van de vrouw in de woning wil overnemen, niet de nodige stappen ondernomen om de woning over te nemen. Hij heeft niet laten zien dat hij voldoende financiële middelen heeft om de woning over te nemen. Het geld van de vrouw zit in de woning en zij kan daardoor geen kant op. De vrouw wil verder met haar leven en een eigen plekje verkrijgen; zij verblijft nu met de minderjarige bij haar ouders in [woonplaats 2] . Voor het geval de man in de gelegenheid wordt gesteld de woning over te nemen, acht zij een termijn van een maand waarbinnen de man de woning moet hebben gekocht acceptabel.
4.14.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.14.4.
De woning is thans nog niet getaxeerd omdat er eind juni 2025 bij het ophalen van de inboedelgoederen in de woning door de vrouw een incident heeft plaatsgevonden. Partijen konden het na het incident niet eens worden over de aan- of afwezigheid van de vrouw tijdens de taxatie en hebben, zoals reeds overwogen, tijdens de zitting daaromtrent wel overeenstemming hebben bereikt. Voorts acht de rechtbank hierbij van belang dat de man heeft aangegeven dat hij al wel bij een hypotheekadviseur is geweest en dat hij financieel in staat lijkt te zijn de woning over te kunnen nemen.
4.14.5.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande aanleiding om de man voor een (korte) periode in de gelegenheid te stellen zijn mogelijkheden tot financiering te onderzoeken en de woning over te nemen. De rechtbank zal daaraan de volgende termijnen en voorwaarden verbinden.
  • De man dient zich binnen twee maanden na het uitbrengen van het taxatierapport jegens de vrouw schriftelijk (en met bewijsstukken) bereid en in staat te verklaren de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening.
  • Het een en ander onder de verplichting dat de man uit de overwaarde (te berekenen door de getaxeerde waarde van de woning te verminderen met de hypotheekschuld en de kosten van de taxateur), voor zover die toereikend is, de vordering van de vrouw van € 105.984,82 aan de vrouw te betalen en daarna de helft van de eventueel resterende overwaarde aan de vrouw te vergoeden (zie ten aanzien van de vordering van de vrouw ook rechtsoverweging 4.23.).
  • Indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dan dient de woning binnen twee maanden na genoemd schriftelijk bericht aan hem te zijn toebedeeld.
  • De rechtbank zal in het geval de man de woning overneemt, bepalen dat de kosten van de notariële overdracht door de man, als kosten koper, worden voldaan.
4.15.
Voor het geval de man de woning niet kan overnemen onder genoemde voorwaarden dient de woning aan een derde te worden verkocht. De rechtbank zal bepalen dat partijen, binnen twee weken nadat duidelijk is dat de man de woning niet zal overnemen, gezamenlijk een makelaar opdracht geven de woning tegen een zo hoog mogelijk bedrag aan derden te verkopen. Dat zal zijn, gelet op het vorenstaande, in het geval de man zich niet jegens de vrouw schriftelijk (en met bewijsstukken) bereid en in staat heeft verklaard de woning over te kunnen nemen (op de wijze zoals hierboven is bepaald) binnen twee weken na twee maanden na het uitbrengen van het taxatierapport, ofwel in het geval de man zich wel jegens de vrouw schriftelijk in staat en bereid heeft verklaard de woning over te nemen maar de woning is niet twee maanden na dat schriftelijk bericht van de man aan de vrouw aan de man toegedeeld: binnen twee weken na het verstrijken van laatstgenoemde termijn van twee maanden. Indien partijen niet binnen die termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een makelaar, dienen zij binnen een week na het verstrijken van die termijn [makelaar] te [plaats 3] opdracht geven.
4.16.
De rechtbank zal bepalen dat de verkoopkosten (waaronder de kosten van de makelaar) voor rekening van beide partijen komen, ieder voor de helft. In het geval van verkoop van de woning aan een derde bedraagt de overwaarde de verkoopopbrengst van de woning, minus de hypothecaire geldlening, minus de aan de verkoop verbonden kosten (waaronder de makelaarskosten). Uit deze overwaarde dient, gelet op hetgeen hierna onder rechtsoverweging 4.23. wordt overwogen, de vordering van de vrouw van
€ 105.984,82 te worden betaald en het eventuele restant, zijnde de resterende overwaarde, moeten partijen bij helfte delen.
4.17.
De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning gelasten volgens het in het dictum opgenomen zogenoemde ‘spoorboekje’. Daarbij zullen de overige verzoeken van de vrouw omtrent de verkoop van de woning aan een derde worden toegewezen nu deze door de man verder niet zijn weersproken.
Vergoedingsrechten
4.18.
De vrouw stelt dat zij op grond van artikel 1:87 BW Pro een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft gekregen nu zij in totaal een bedrag van € 105.984,82 in de woning heeft geïnvesteerd dan wel dat zij, indien en voor zover de gemeenschap ontoereikend is, een vergoedingsrecht heeft op de man. Zij stelt dat dat bedrag afkomstig is uit haar privévermogen; het is een door haar ontvangen letselschadevergoeding. In eerste instantie stelde zij zich op het standpunt dat de hoogte van het vergoedingsrecht dient te worden berekend aan de hand van de beleggingsleer; tijdens de zitting heeft zij ingestemd met een nominale vergoeding. De vrouw wijst erop dat de woning valt in de beperkte gemeenschap van partijen. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om, in het geval wordt bepaald dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft, vast te stellen dat hij ook een vergoedingsrecht c.q. vordering heeft op de vrouw van € 17.367,19, strekkende tot afwijzing van dit verzoek. Zij stelt, kort samengevat, dat zij, evenals de man, verschillende kosten voor de verbouwing, de huishouding en inboedel van partijen heeft voldaan en derhalve daaraan ook een bijdrage heeft geleverd. De vrouw is van mening dat de door partijen gemaakte kosten tegen elkaar weggestreept kunnen worden.
4.19.
De man voert verweer. Hij stelt dat, op het moment dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft, hij ook een vergoedingsrecht heeft c.q. een vordering op de vrouw heeft van € 7.443,19 + € 9.926,=, zijnde € 17.369,19. De vrouw dient dan de helft van dat bedrag, zijnde € 8.684,60 aan hem te voldoen. Hij voert daartoe het volgende aan. Hij heeft ten behoeve van de woning van partijen de kosten van € 7.443,19 voor de verbouwing voldaan en een betaling van € 9.926,= gedaan ten behoeve van de inboedel van partijen. Tijdens de zitting heeft de man aangevoerd dat er een verschil is in de door hem en door de vrouw opgevoerde kosten; de man heeft voor de verbouwing en de gezamenlijke inboedel betaald, de door hem opgevoerde kosten zien niet op de kosten van de huishouding, in tegenstelling tot de door de vrouw opgevoerde kosten. De vrouw voert kosten op en legt bankafschriften over, maar een omschrijving van de kosten ontbreekt. De man stelt zich op het standpunt dat het, omdat de geclaimde vergoedingsrechten zijn ontstaan voorafgaand aan het huwelijk van partijen, de vraag is of dit binnen onderhavige echtscheidingsprocedure kan worden geregeld en wat de grondslag dan is. De man wijst op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025. De man stelt verder dat of alle vergoedingsrechten moeten worden meegenomen, of geen enkele. Nu de man instemt met het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht van € 105.984,82, wil hij dat een beslissing wordt genomen over het vergoedingsrecht dat c.q. de vordering die hij stelt te hebben.
4.20.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.21.
Zoals door de vrouw onweersproken is gesteld en eveneens uit de stukken blijkt, hebben partijen op 1 mei 2023 (dus vóór het aangaan van het huwelijk) ieder de onverdeelde helft van de woning in eigendom verkregen, bedroeg de koopprijs daarvan € 215.000,= en hebben partijen daarvoor een hypothecaire geldlening ad € 115.000,= afgesloten. De vrouw stelt het resterende bedrag en de bijkomende kosten van € 105.984,= te hebben voldaan uit privévermogen, te weten met een bedrag afkomstig van een door haar in januari 2023 ontvangen letselschadevergoeding. Verder gaat het om een door de man ingesteld vergoedingsrecht c.q. vordering ter zake door de man vóór het huwelijk betaalde kosten ten behoeve van de verbouwing van de woning en ten behoeve van de inboedel van partijen.
4.22.
De ingestelde vergoedingsrechten kunnen daarom niet worden gebaseerd op artikel 1:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de overige bepalingen van de titels 6-8 van boek 1 BW omdat deze zouden zijn ontstaan voorafgaand aan het huwelijk van partijen. De rechtbank is van oordeel dat de vergoedingsrechten moeten worden beoordeeld aan de hand van het algemene verbintenissenrecht (Boek 6 BW). Verder dient in de beoordeling van de door partijen ingebrachte vergoedingsrechten de door de man genoemde uitspraak van de Hoge Raad te worden betrokken. De conclusie die de Hoge Raad trekt in haar uitspraak van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:436), is – kortgezegd – dat een schuld van de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot die is ontstaan doordat laatstbedoelde echtgenoot de gehele (in casus een deel van de) koopsom heeft voldaan van een vóór het huwelijk gezamenlijk verkregen woning, niet behoort tot de in art. 1:94 lid 7 BW Pro bedoelde schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden. De tekst van art. 1:94 lid 7 BW Pro en de wetsgeschiedenis ervan dwingen niet tot een ander oordeel. Een ander oordeel, waarbij de schuld mede voor rekening van de andere echtgenoot komt, zou bovendien afbreuk doen aan de strekking van de verplichting om de vermogensverschuiving tussen de privévermogens van de echtgenoten ongedaan te maken.
4.23.
Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de vrouw recht heeft op nominale vergoeding jegens de gemeenschap van de door haar vóór het huwelijk in de woning geïnvesteerde privégelden van € 105.984,82, afkomstig van een door haar ontvangen letselschadevergoeding. Partijen zijn het er over eens dat dit bedrag, nadat de taxatie van de echtelijke woning heeft plaatsgevonden en de man de woning overneemt, bij de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning eerst aan de vrouw toekomt, waarna het resterende bedrag aan overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. Bij verkoop van de woning aan een derde zal dit bedrag eveneens eerst uit de overwaarde van de echtelijke woning aan de vrouw toekomen voordat de resterende overwaarde tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld. De rechtbank zal aldus op onderstaande wijze beslissen en het meer of anders verzochte afwijzen.
4.24.
Dan is, gelet op het voorgaande, tot slot nog aan de orde de stelling van de man dat hij een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw c.q. een vordering heeft op de vrouw omdat hij ten behoeve van de woning van partijen de kosten van € 7.443,19 voor de verbouwing heeft voldaan en een betaling van € 9.926,= heeft verricht ten behoeve van de inboedel van partijen.
4.25.
Zoals reeds overwogen moet aan de hand van het algemene verbintenissenrecht worden beoordeeld of een vergoedingsrecht geldend kan worden gemaakt. De man heeft niet aan zijn stelplicht voldaan op dit punt. Hij heeft nagelaten te stellen en onderbouwen dat sprake is van een tussen partijen gesloten overeenkomst op grond waarvan een vergoedingsrecht kan worden aangenomen of dat dit op grond van de overige in boek 6 BW geregelde rechtsfiguren (onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking) kan worden aangenomen. Evenmin heeft hij bijzondere feiten en omstandigheden aangedragen die een beroep op de uit artikel 6:2 lid 1 BW Pro voortvloeiende eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen rechtvaardigen. Voorts geldt dat de vrouw vóór het huwelijk bedragen naar de man en naar de gezamenlijke bankrekening van partijen heeft overgemaakt en dat zij betalingen aan derden heeft gedaan, waarvan tijdens de zitting is gebleken dat daarvan in ieder geval een gedeelte eveneens aan inboedelgoederen van partijen is besteed, te weten aan meubels en een laptop. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank dit verzoek van de man dan ook afwijzen.
De gezamenlijke betaalrekening
4.26.
Ten aanzien van (het saldo van) deze gezamenlijke rekening behoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen nu, zo is niet in geschil, de bankrekening reeds is beëindigd en daarmee, zo begrijpt de rechtbank, het saldo tussen partijen is verdeeld.
De personenauto Renault en de geldlening
4.27.
Partijen hebben overeenstemming bereikt in die zin dat dat de Renault aan de man wordt toegedeeld onder de verplichting om de geldlening d.d. 22 oktober 2024 ten bedrage van € 13.250,= voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen. Gelet op deze overeenstemming behoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.
Inboedel
4.28.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel is verdeeld, zodat op dit punt geen beslispunt voor de rechtbank meer voorligt.
CZ
4.29.
De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bedrag van € 334,84 dient te voldoen in verband met betalingen van de man aan de CZ ten gunste van de vrouw. De vrouw heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij deze kosten voor haar rekening zal nemen en dat deze zullen worden verrekend op het moment waarop de man de woning overneemt of op het moment van overname door een derde. De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, verstaan dat de man voor een bedrag van € 334,84 een regresrecht heeft op de vrouw, te verrekenen op het moment van overname van de woning door de man of door een derde.
Scooter
4.30.
Partijen zijn het tijdens de zitting eens geworden over de scooter. Partijen regelen op de dag van de zitting dat de scooter ‘van de naam van de man afgaat’ en dat de vrouw de scooter ophaalt en meeneemt. Partijen hebben aangegeven hieromtrent geen beslissing meer van de rechtbank te vragen.
Conclusie in beide zaken
4.31.
Gelet op het vorenstaande wordt op onderstaande wijze beslist.

5.De beslissing

C/02/430819 FA RK 25-226 (echtscheiding)
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2024 te [plaats 1] met elkaar gehuwd;
5.2.
neemt op in deze beschikking de getroffen onderlinge regelingen zoals die staan in het
aangehechte ouderschapsplan;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte;
C/02/443815 FA RK 26-132 (verdeling)
5.4.
gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling van de gemeenschap als volgt:
5.4.1.
met betrekking tot de woning te [plaats 2] , aan [adres] en de daaraan gekoppelde hypotheek:
- partijen geven, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, binnen twee weken na heden taxateur [taxateur] opdracht om de woning per omgaande te taxeren tegen de actuele marktwaarde. Indien slechts één van partijen binnen deze termijn opdracht aan de makelaar heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de taxateur te verstrekken;
- partijen zijn niet aanwezig bij deze taxatie;
- ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;
* bepaalt dat de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende voorwaarden en op de volgende wijze:
- de man dient zich binnen twee maanden na het uitbrengen van het taxatierapport jegens de vrouw schriftelijk (en met bewijsstukken) bereid en in staat te verklaren de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen waarbij de man de hypothecaire geldlening voor zijn rekening neemt en als eigen schuld voldoet met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening, waarbij uit de overwaarde (te berekenen door de getaxeerde waarde van de woning te verminderen met de hypotheekschuld en de kosten van de taxateur) voor zover deze toereikend is, de vordering van de vrouw van € 105.984,82 aan de vrouw wordt betaald en voorts de man de helft van de eventueel resterende overwaarde aan de vrouw zal vergoeden;
- uiterlijk een dag voor het notarieel transport van de woning aan de man dient de man het deel van de overwaarde waarop de vrouw recht heeft (het bedrag van € 105.984,82 en de helft van de eventueel resterende overwaarde) op de derdengeldrekening van de notaris te voldoen met daarbij de onherroepelijke opdracht aan de notaris om dat bedrag direct nadat het notarieel transport heeft plaatsgevonden, uit de betalen op de bankrekening van de vrouw;
- indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarden dan dient de woning binnen twee maanden na voornoemd schriftelijk bericht aan hem te zijn toebedeeld;
- de kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van de man;
* bepaalt dat, indien de man er niet in slaagt om de woning onder voornoemde voorwaarden over te nemen, de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde als volgt:
- bepaalt dat partijen binnen twee weken nadat duidelijk is geworden dat de man de woning niet kan overnemen
(ofwel in het geval de man zich niet jegens de vrouw schriftelijk (en met bewijsstukken) bereid en in staat heeft verklaard de woning over te kunnen nemen (op de wijze zoals hierboven is bepaald) binnen twee weken na twee maanden na het uitbrengen van het taxatierapport, ofwel in het geval de man zich wel jegens de vrouw schriftelijk in staat en bereid heeft verklaard de woning over te nemen maar de woning is niet twee maanden na dat schriftelijk bericht van de man aan de vrouw aan de man toegedeeld: binnen twee weken na het verstrijken van laatstgenoemde termijn van twee maanden)gezamenlijk opdracht geven aan een door hen samen uit te kiezen makelaar tot verkoop van de woning aan derden tegen een zo hoog mogelijk bedrag en indien partijen niet binnen deze termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven, dienen zij binnen een week na het verstrijken van die termijn daartoe [makelaar] te [plaats 3] opdracht te geven;
- bepaalt dat indien partijen niet na het verstrijken van laatstgenoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan [makelaar] ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;
- bepaalt dat indien partijen niet binnen twee weken na opdrachtverlening aan een makelaar er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend zal vaststellen;
- bepaalt dat partijen hun medewerking dienen te verlenen aan de voorbereidingen van de verkoop van de woning waaronder, doch niet uitsluitend, begrepen de gelegenheid bieden aan potentiële gegadigde(n) tot het doen van één of meer bezichtigingen;
- bepaalt dat partijen met een op de woning uitgebracht bod dienen in te stemmen indien de makelaar oordeelt dat een door potentiële gegadigde(n) gedaan bod de best mogelijke prijs is;
- bepaalt dat de verkoopkosten (waaronder de kosten van de makelaar) voor rekening van beide partijen komen, ieder voor de helft;
- bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning, onder aftrek van de hypothecaire geldlening, de aan de verkoop verbonden kosten (waaronder de makelaarskosten) en de vordering van de vrouw van € 105.984,82, bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
5.4.2.
verstaat dat de vrouw een vordering heeft op de beperkte gemeenschap van goederen van € 105.984,82, te betalen op het moment van overdracht van de woning aan de man dan wel aan een derde;
5.4.3.
verstaat dat de man voor € 334,84 een regresrecht heeft op de vrouw, te verrekenen
op het moment van overname van de woning door de man of door een derde;
5.5.
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.