Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde dat ten onrechte geen dwangsom was toegekend bij de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de beslissing over de dwangsom niet in de uitspraak op bezwaar hoeft te worden opgenomen en dat de heffingsambtenaar nog twee weken had om te beslissen over de dwangsom, waardoor het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond is.
Na het instellen van het beroep heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsom toegekend, maar deze was onjuist vastgesteld. De rechtbank stelt de dwangsom vast op € 276,- en veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van wettelijke rente vanaf 25 maart 2025. Tevens krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 70,05 toegekend.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht, omdat dit niet verschuldigd was voor de procedure tegen de dwangsombeschikking. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na overleg met partijen. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.