Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde dat ten onrechte geen dwangsom was toegekend bij de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de beslissing over de dwangsom niet in de uitspraak op bezwaar hoeft te worden opgenomen en dat de heffingsambtenaar nog twee weken had om te beslissen over de dwangsom, waardoor het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond is.
Na het instellen van het beroep heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsom toegekend, maar belanghebbende betwist de hoogte hiervan. De rechtbank stelt vast dat de dwangsom onjuist is berekend en corrigeert deze naar €276,-, gebaseerd op 12 dagen te late beslissing tegen het tarief van €23,- per dag.
Daarnaast kent de rechtbank wettelijke rente toe over de dwangsom vanaf 25 maart 2025 tot de dag van betaling, omdat de heffingsambtenaar in verzuim is. Ook wordt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €70,05 toegekend, waarbij rekening is gehouden met samenhangende zaken en een lichte wegingsfactor. De rechtbank wijst vergoeding van griffierecht af omdat daarvoor geen aanleiding bestaat.
De uitspraak is gedaan zonder zitting, na schriftelijke behandeling, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.