Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5247

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1388
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen dwangsombeschikking parkeerbelasting en vaststelling hoogte dwangsom

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en stelde dat ten onrechte geen dwangsom was toegekend bij de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de beslissing over de dwangsom niet in de uitspraak op bezwaar hoeft te worden opgenomen en dat de heffingsambtenaar nog twee weken had om te beslissen over de dwangsom. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard.

Na het instellen van het beroep heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsom toegekend, maar deze was onjuist vastgesteld. De rechtbank stelt de dwangsom vast op €497, gebaseerd op het aantal dagen dat de beslissing te laat was en de wettelijke dagtarieven. Tevens wordt de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van wettelijke rente vanaf 1 april 2025 tot de dag van betaling.

Omdat het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond is, krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding van €70,05. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond, met vaststelling van een dwangsom van €497 en toekenning van wettelijke rente en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1388

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, verbonden aan verkeersboete.nl),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 februari 2025 over de naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer]. Belanghebbende stelt zich in het beroepschrift op het standpunt dat er ten onrechte geen dwangsom is toegekend en verzoekt om alsnog een dwangsom vast te stellen.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

3. De gronden van het beroep richten zich alleen tegen de verschuldigdheid van een dwangsom. Belanghebbende is van mening dat bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte geen dwangsom is toegekend. Voor het overige is de uitspraak op bezwaar niet in geschil. De rechtbank overweegt dat de beslissing op het verzoek om een dwangsom niet in de uitspraak op bezwaar hoeft te worden opgenomen. In dit geval had de heffingsambtenaar op het moment dat hij de uitspraak op bezwaar deed, ook nog twee weken om te beslissen op de dwangsom. De verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom moet namelijk binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was. [2] In dit geval is de datum van de uitspraak op bezwaar de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is (zie hierna onder 6.). Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is daarom ongegrond.
4. Dit neemt niet weg dat belanghebbende in een procedure tegen de uitspraak op bezwaar gronden kan aanvoeren tegen een dwangsombeschikking of tegen het niet (tijdig) nemen van die beschikking. [3] Na het instellen van het beroep heeft de heffingsambtenaar alsnog een dwangsom toegekend. Aangezien belanghebbende in het beroepschrift de rechtbank heeft verzocht de dwangsom vast te stellen, zal de rechtbank in deze uitspraak een oordeel geven of de dwangsom tot een juiste hoogte is vastgesteld. [4]
Heeft de heffingsambtenaar de dwangsom juist vastgesteld?
5. Belanghebbende heeft op 15 augustus 2024 bezwaar gemaakt. Omdat de heffingsambtenaar niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar heeft beslist, heeft belanghebbende de heffingsambtenaar bij brief van 2 januari 2025 in gebreke gesteld en de heffingsambtenaar verzocht alsnog op korte termijn een beslissing te nemen. Belanghebbende verwijst in deze brief naar artikel 4:17 van Pro de Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen). De heffingsambtenaar heeft op 4 februari 2025 uitspraak op bezwaar gedaan, maar geen dwangsom toegekend. Belanghebbende heeft om die reden op 5 maart 2025 beroep ingesteld. Op 30 mei 2025 heeft de heffingsambtenaar een dwangsom toegekend van € 462,-.
6. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De heffingsambtenaar is over elke dag na 17 januari 2025 tot en met de beslissing op 4 februari 2025 een dwangsom verschuldigd. In zijn verweer gaat de heffingsambtenaar er ten onrechte van uit dat over 4 februari 2025 geen dwangsom is verschuldigd. Hij is immers 19 dagen te laat met beslissen.
7. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op € 497,- (12 x € 23,- en 7 x € 35,-). Voor zover de heffingsambtenaar al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Het beroep is gegrond.
Is de heffingsambtenaar wettelijke rente verschuldigd?
8. Belanghebbende vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. De heffingsambtenaar moest de dwangsom uiterlijk op 18 februari 2025 vaststellen en uiterlijk op 1 april 2025 aan belanghebbende betalen. Omdat de heffingsambtenaar de dwangsom te laag heeft vastgesteld, is hij in verzuim en moet hij vanaf 1 april 2025 tot de datum waarop de dwangsom is betaald wettelijke rente aan belanghebbende betalen. Indien het bedrag in gedeelten wordt betaald, omdat het bedrag van € 462,- al is betaald, dan geldt voor de berekening van de wettelijke rente telkens de periode vanaf 1 april 2025 tot de dag van betaling van het betreffende gedeelte.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is ongegrond. Het beroep tegen de dwangsombeschikking is gegrond. De rechtbank kent aan belanghebbende een dwangsom toe van € 497,- en bepaalt dat over de betaling daarvan vanaf 1 april 2025 wettelijke rente is verschuldigd.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 70,05 [5] voor het beroepschrift dat de gemachtigde van belanghebbende heeft ingediend. De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,25 gehanteerd, omdat het beroep is beperkt tot de vraag of de dwangsom tot de juiste hoogte is vastgesteld. Daarnaast heeft de rechtbank de zaken met zaaknummers 25/1246, 25/1247, 25/1248, 25/1249 en 25/1388 aangemerkt als samenhangende zaken. De beroepszaken zijn gelijktijdig door de belastingrechter behandeld, de rechtsbijstand is door dezelfde persoon verleend en de verrichte werkzaamheden van de rechtsbijstandsverlener was in alle zaken (nagenoeg) identiek. Omdat sprake is van meer dan 4 samenhangende zaken heeft de rechtbank een factor 1,5 gehanteerd. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep en deze hoeft alleen te worden vergoed door het bestuursorgaan als daartoe aanleiding bestaat in de procedure tegen de uitspraak op bezwaar. Daarvoor is in dit geval geen aanleiding. Voor de gronden tegen (het niet tijdig nemen van) de dwangsombeschikking hoefde geen aparte procedure te worden gestart en was geen griffierecht verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond;
  • vernietigt de dwangsombeschikking van 30 mei 2025;
  • stelt de door de heffingsambtenaar te betalen dwangsom vast op € 497,-;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar om de wettelijke rente over dit bedrag aan belanghebbende te betalen, vanaf 1 april 2025 tot de dag waarop het bedrag is betaald;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 70,05 aan proceskosten aan belanghebbende;
  • beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 4:18 van Pro de Awb.
3.Hoge Raad 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
4.Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb.
5.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,-, een wegingsfactor 0,25 (zeer licht) en een factor 1,5 wegens samenhangende zaken = € 350,25. Aan belanghebbende wordt daarvan 1/5e deel toegekend, zijnde € 70,05.