ECLI:NL:RBZWB:2026:5296

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
25/3430
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53a PwArt. 54 PwArt. 17 PwArt. 30c PwArt. 54, eerste lid, Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opschorting en intrekking AIO-aanvulling en betalingsregeling door SVB

Eiseres ontvangt sinds 2012 een AIO-aanvulling. Na een rechtmatigheidsonderzoek in 2019 werd een terugvordering van €9.411,13 vastgesteld vanwege een pensioenuitkering van haar overleden echtgenoot uit Frankrijk die op een Marokkaanse bankrekening werd gestort. De SVB heeft in 2025 de AIO-aanvulling van eiseres opgeschort en vervolgens ingetrokken wegens het niet aanleveren van gevraagde informatie, ondanks herhaalde verzoeken en hersteltermijnen.

Eiseres betwist de opschorting en intrekking, stelt dat zij de gevraagde informatie al eerder heeft verstrekt en dat zij door haar gezondheid en analfabetisme niet in staat is om de documenten te overleggen. De rechtbank oordeelt dat de SVB bevoegd is tot het instellen van rechtmatigheidsonderzoeken zonder voorafgaande aanleiding en dat eiseres onvoldoende medewerking heeft verleend door niet binnen de gestelde termijnen de gevraagde gegevens te verstrekken.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen verzoek tot verlenging van de hersteltermijn heeft gedaan en dat de SVB haar voldoende gelegenheid heeft geboden. De betalingsregeling van €59 per maand is passend en rekening houdend met de beslagvrije voet. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de opschorting, intrekking en betalingsregeling in stand blijven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de opschorting, intrekking van de AIO-aanvulling en de betalingsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3430

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht, de SVB.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de opschorting en intrekking van de AIO-aanvulling van eiseres en de beslissing tot een betalingsregeling. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de SVB.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht de AIO-aanvulling van eiseres heeft opgeschort en ingetrokken en een betalingsregeling heeft mogen treffen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De SVB heeft met het besluit van 8 januari 2025 (primaire besluit I) de AIO-aanvulling van eiseres opgeschort per 1 januari 2025. Vervolgens heeft de SVB met de besluiten van 11 februari 2025 besloten de AIO-aanvulling per 1 januari 2025 definitief in te trekken (primaire besluit II) en een betalingsregeling van € 59,00 per maand te treffen voor de terugvordering van € 9.411,13 (primaire besluit III).
2.1.
Met het bestreden besluit van 16 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij de opschorting en intrekking van de AIO-aanvulling en de betalingsregeling gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar zoon, dhr. [zoon van eiseres] , en haar gemachtigde. Namens de SVB was mr. A. Marijnissen aanwezig. Eiseres was niet aanwezig.
2.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen alle stukken tot en met het beroep van de eerder tussen partijen gevoerde procedure, bekend bij de rechtbank onder procedurenummer 21/2174, aan de rechtbank te overleggen. Vervolgens werd eiseres in de gelegenheid gesteld om op de overgelegde stukken te reageren. Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak kan doen.
2.5.
Op 19 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontvangt sinds 1 januari 2012 een AIO-aanvulling. In 2019 heeft reeds een rechtmatigheidsonderzoek plaatsgevonden met betrekking tot een pensioenuitkering uit Frankrijk van haar overleden echtgenoot naar een bankrekening in Marokko. De SVB heeft toentertijd besloten een bedrag van € 9.411,13 van eiseres terug te vorderen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2214. De zaak is inmiddels ook aanhangig gemaakt bij de Centrale Raad van Beroep.
4. Ten tijde van dit eerdere rechtmatigheidsonderzoek heeft er een buurtonderzoek plaatsgevonden door de lokale autoriteiten in Marokko. Hieruit volgde dat de woning op het [adres] , Marokko, van de overleden echtgenoot van eiseres zou zijn. Zijn kinderen zouden er af en toe nog verblijven. Alleen zonder het CIN-nummer kon door de SVB geen nadere informatie bij het zusterorgaan in Marokko worden verkregen.
5. Eiseres ontving gezien het bovenstaande op 16 oktober 2024 het verzoek nadere informatie te overleggen, waaronder de CIN-nummers van haar en haar overleden echtgenoot, een kopie van de voor- en achterkant van de Marokkaanse identiteitskaarten van hun beiden, de overlijdensakte van haar echtgenoot, haar huwelijksakte, bewijsstukken waaruit blijkt wie de erfgenamen van haar echtgenoot zijn en bewijsstukken waaruit blijkt of zij aanspraak heeft kunnen maken op (een deel van) de erfenis van haar echtgenoot. Als reactie hierop heeft haar kleinzoon, op 13 november 2024, de SVB bericht dat dit onderzoek al heeft plaatsgevonden en zij hier geen noodzaak van zien. Daarbij vraagt de kleinzoon om meer informatie. De SVB heeft vervolgens op 6 december 2024 een herinnering aan eiseres gestuurd om de gegevens voor 27 december 2024 in te leveren. Hier heeft eiseres geen gehoor aangegeven. Op 8 januari 2025 heeft de SVB de AIO-aanvulling van eiseres vanaf 1 januari 2025 opgeschort en eiseres een hersteltermijn gegeven om de gegevens alsnog, uiterlijk 5 februari 2025, in te leveren. Hier is opnieuw door eiseres niet aan voldaan, waardoor de SVB in het besluit van 11 februari 2025 de AIO-aanvulling definitief vanaf 1 januari 2025 heeft ingetrokken. In de beslissing op bezwaar van 16 juni 2025 is de SVB bij haar beslissing gebleven, omdat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld de gevraagde informatie te overleggen en dit heeft nagelaten.
6. In de tussentijd heeft de SVB eiseres op 9 december 2024 een brief gestuurd met daarin de mededeling dat het bedrag van € 9.411,13 (de terugvordering ten gevolge van het eerdere rechtmatigheidsonderzoek) dient te worden terugbetaald. De SVB verzoekt eiseres in deze brief om voor 9 januari 2025 het meegestuurde formulier ‘Onderzoek naar uw draagkracht’ in te vullen, zodat een geschikte betalingsregeling getroffen kan worden. Na een herinnering heeft eiseres dit formulier en bankafschriften overgelegd. Op basis hiervan heeft de SVB in het besluit van 11 februari 2025 een betalingsregeling getroffen. Besloten is dat vanaf februari 2025 maandelijks € 59,00 van de AOW-uitkering van eiseres wordt ingehouden. In de beslissing op bezwaar van 16 juni 2025 is de SVB bij haar beslissing gebleven. De SVB heeft de aflossingscapaciteit opnieuw bekeken, maar rekening houdend met de beslagvrije voet van 95%, is het bedrag juist berekend. Het bezwaar van eiseres tegen de terugvordering heeft de SVB niet inhoudelijk behandeld, omdat de terugvordering al in de beslissing op bezwaar van 14 april 2021 is vastgesteld. In de brief van 11 februari 2025 heeft de SVB eiseres slechts opnieuw geïnformeerd over de openstaande vordering.
Het standpunt van eiseres
De opschorting, intrekking en beëindiging van de AIO-aanvulling
7. Eiseres stelt dat de SVB opnieuw informatie vraagt die zij al heeft verstrekt tijdens een eerdere rechtmatigheidsonderzoek. De SVB beschikt dus al over deze informatie. Daarnaast wordt er om documenten gevraagd waar zij niet over beschikt en/of kan beschikken. Ze vindt het onterecht dat er opnieuw een rechtmatigheidsonderzoek wordt uitgevoerd, omdat daar volgens haar geen aanleiding voor is. Dit alles zou haar onevenredig belasten gezien haar slechte gezondheid en haar kwetsbaarheid. Eiseres heeft dagelijks intensieve zorg nodig en kan niet meer zelfstandig functioneren. Hierdoor kan zij geen documenten opvragen waarover ze niet beschikt. Ze wordt verzocht documenten van haar overleden echtgenoot aan te leveren, maar aangezien haar man al zeven jaar is overleden heeft zij deze niet. Eiseres is analfabeet, heeft nooit haar eigen administratie beheerd en is daar door haar gezondheid en leeftijd ook niet toe in staat. Haar zoon en kleinzoon helpen haar waar nodig, maar zij beschikken naar eigen zeggen ook niet over de gevraagde stukken. In 2020 heeft reeds een rechtmatigheidsonderzoek plaatsgevonden, waarbij dezelfde documenten werden opgevraagd. Eiseres heeft toen alles wat zij had, aangeleverd. Het onderzoek naar vermogen in het buitenland werd toen echter om onbekende redenen niet voortgezet. Dit dossier is ten onrechte niet aan het huidige dossier toegevoegd, terwijl dit wel relevant is om te beoordelen welke informatie de SVB al heeft.

De betalingsregeling in het kader van de terugvordering

8. Het eerdere rechtmatigheidsonderzoek heeft geleid tot een terugvordering van de AIO-aanvulling, omdat de echtgenoot van eiseres voor zijn overlijden een kleine pensioenuitkering ontving uit Frankrijk die op een bankrekening in Marokko werd uitbetaald. Eiseres was hiervan niet op de hoogte. Vervolgens ontving eiseres drie jaar lang geen AIO-aanvulling. Eiseres veronderstelde dat de uitkering niet werd uitbetaald, omdat deze verrekend werd met de terugvordering van € 9.411,13. Reden hiervoor is dat per besluit van 20 augustus 2020 door de SVB een AIO-aanvulling van € 249,00 per maand is toegekend met ingang van september 2020. Deze uitkering is echter pas (automatisch, zonder nieuwe aanvraag) vanaf september 2024 aan eiseres uitbetaald. Eiseres voert aan nooit een beslissing tot opschorting of blokkade van de AIO-aanvulling te hebben ontvangen. Bovendien komt het bedrag wat niet is uitgekeerd overeen met het bedrag van de terugvordering. Het bestreden besluit wordt door eiseres gezien als een (verkapt) tweede besluit tot terugvordering van een bedrag dat al is terugbetaald. Als er sprake was van opschorting van de uitkering, had er binnen een redelijke termijn een vervolgbesluit moeten komen, maar dat is niet gebeurd. Tijdens de hoorzitting is dit uitgebreid besproken, maar de SVB is hier in de beslissing op bezwaar niet op ingegaan.
Heeft de SVB een rechtmatigheidsonderzoek mogen instellen?
9. Eiseres stelt dat de SVB onterecht opnieuw een rechtmatigheidsonderzoek uitvoert, omdat hier volgens haar geen aanleiding voor is. De rechtbank stelt voorop dat de SVB op grond van artikel 53a van de Pw bevoegd is om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van de AIO-aanvulling. De wet schrijft niet voor dat er sprake moet zijn van een aanleiding. De SVB mag deze bevoegdheid steeds en spontaan uitoefenen ten aanzien van alle AIO-gerechtigden. Daartoe is dus geen voorafgaand en redengevend feit, signaal of vermoeden vereist. [1]
Bewijslastverdeling
10. Een besluit tot opschorting en intrekking van de AIO-aanvulling is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor opschorting en intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan. Dit betekent dat het bijstandsverlenend orgaan de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Heeft de SVB terecht de AIO-aanvulling van eiseres opgeschort en ingetrokken?
11. Artikel 54, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de PW bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
12. Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. In dit geval dient daartoe te worden beoordeeld of appellant binnen die termijn de gevraagde gegevens heeft verstrekt of voldoende medewerking heeft verleend. Indien dat niet het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld ontbreken indien de gevraagde gegevens niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of indien eiseres niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs over de gevraagde gegevens heeft kunnen beschikken.
13. Uit het dossier blijkt dat de SVB voor het eerst op 16 oktober 2024 aan eiseres vraagt om nadere informatie te verstrekken. Deze gegevens zijn van belang voor de bijstandsverlening. Die gegevens kunnen immers duidelijkheid geven over het inkomen en vermogen van eiseres.
13. Eiseres stelt allereerst dat zij de gevraagde informatie al heeft verstrekt in het eerdere rechtmatigheidsonderzoek. Naar aanleiding van dit standpunt heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst om de SVB in de gelegenheid te stellen het betreffende dossier aan de rechtbank te overleggen. De rechtbank heeft dit dossier van verweerder ontvangen en bestudeerd. Enkel het CIN-nummer van eiseres is terug te vinden in het dossier, namelijk in de officiële verklaring afkomstig van de lokale autoriteiten in Larache. De overige opgevraagde gegevens heeft de rechtbank niet in het dossier kunnen terugvinden. Eiseres heeft ook niet aangevoerd waar de opgevraagde gegevens in het omvangrijke dossier terug te vinden zouden zijn. Dat de gegevens reeds zijn overgelegd door eiseres is dus niet gebleken.
Eiseres stelt verder dat zij over de resterende opgevraagde gegevens niet kan beschikken en deze om die reden niet kan aanleveren. Uit de brief van eiseres van 12 december 2025 blijkt echter duidelijk dat de gevraagde gegevens opgevraagd kunnen worden in Marokko. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk is om deze te stukken te verkrijgen door haar slechte gezondheid (intensieve zorg) en persoonlijke omstandigheden, maar zij had hiervoor hulp kunnen inschakelen. Bovendien was haar kleinzoon bij de SVB gemachtigd om dit voor haar te doen.
15. Omdat eiseres de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt en haar daarvan een verwijt valt te maken, was de SVB bevoegd de AIO-aanvulling op te schorten per 1 januari 2025.
16. De SVB heeft eiseres vervolgens een hersteltermijn geboden. Eiseres heeft de stukken niet binnen deze termijn overgelegd en heeft daarmee haar verzuim dus niet hersteld. Dat eiseres de gevraagde stukken al heeft overgelegd of daarover niet kan beschikken, volgt de rechtbank niet. Dat is hierboven al overwogen. Eiseres heeft ook niet verzocht om verlenging van de hersteltermijn.
17. Hieruit volgt dat eiseres door het niet overleggen van de gevraagde gegevens onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de SVB. De SVB was bevoegd om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW het recht op bijstand op te schorten en, na het verstrijken van de geboden hersteltermijn, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand in te trekken.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SVB bij de afweging van de betrokken belangen geen bijzondere omstandigheden hoeven aan te nemen. Eiseres stelt dat de SVB rekening moet houden met haar gezondheid, maar zoals reeds overwogen had eiseres hulp kunnen inschakelen van onder andere haar (klein)zonen.

De betalingsregeling

19. Eiseres stelt dat de terugvordering van € 9.411,13 al verrekend is met haar AIO-aanvulling. Daarbij geeft zij aan dat zij nooit een opschortingsbesluit of blokkade van de AIO-aanvulling heeft ontvangen. Uit het dossier blijkt echter dat er wel degelijk een opschortingsbesluit is opgelegd. Bovendien staat deze opschorting in rechte vast.
20. Verder is er geen verrekeningsbesluit genomen. Hier mocht eiseres dan ook niet vanuit gaan.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niets verandert. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier, op 16 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 54 van Pro de Participatiewet
1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:
vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231 en van 27 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:448.