Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5320

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/11169
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 10.103 en belastingrente van € 21 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur baseerde de aanslag op een hertaxatie die een hogere BPM verschuldigd achtte dan de door belanghebbende opgegeven taxatiemethode.

De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende toegepaste herleidingsmethode niet gevolgd kan worden, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad. De taxatiemethode wordt niet aanvaard omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Ook de koerslijstmethode wordt verworpen vanwege significante verschillen in uitvoering en CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto.

De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast conform het DRZ-rapport en het arrest van de Hoge Raad. De naheffingsaanslag is terecht en niet te hoog opgelegd. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de inspecteur en de Staat ieder een deel van de vergoeding en proceskosten moeten betalen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wijst het griffierecht af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11169

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 10.103 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 21 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 17 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Porsche Cayenne Coupé met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 13.106.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 23.209 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. De door belanghebbende toegepaste waardevermindering wegens schade in het taxatierapport volgt de rechtbank daarom ook niet voor zover deze is gebaseerd op de herleidingsmethode.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte feit sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar zijn taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s van de velgen zijn gebruikssporen te zien die naar het oordeel van de rechtbank normaal zijn gelet op de leeftijd van de auto (1 jaar en 4 maanden) en de gereden kilometers (50.026). Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst van XRay die bij het taxatierapport is gevoegd kan worden gevolgd. Hieruit volgt een handelsinkoopwaarde van € 64.646, aldus belanghebbende. De inspecteur betwist dat de koerslijstmethode kan worden gevolgd. De koerslijst geeft geen realistisch afschrijvingspercentage onder meer omdat de auto 63 gr/km meer CO2-uitstoot heeft dan het referentievoertuig en aannemelijk is dat dit komt door een andere uitvoering en opties en de auto is ingekocht voor € 82.499,99, aldus de inspecteur.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst is beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd en dat ervan kan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. [2] De rechtbank overweegt dat de uitvoering ook hetzelfde is als verschillen, met name in afstellingen en uitrusting, niet of niet duidelijk voor de waarde van de auto relevant zijn en niet de waarde van de auto verhogen. In dat geval kan de koerslijst immers onverminderd worden geacht een representatieve benadering te geven van de werkelijke waarde van de auto. Verschillen die wel aanleiding kunnen geven een andere uitvoering aan te nemen, zijn in het bijzonder een ander soort aandrijving of andere brandstofsoort, een ander soort transmissie en een (meer dan marginaal) afwijkend vermogen. [3] Verder valt, onder meer, te denken aan speciale, rijker uitgeruste of sterk geïndividualiseerde versies die de auto onderscheidend, en in beginsel gewilder, maken ten opzichte van het referentievoertuig in de koerslijst. [4]
4.5.
De rechtbank volgt de inspecteur in zijn verweer dat de koerslijstmethode in dit geval geen toepassing kan vinden. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende dat de referentieauto in de koerslijst van XRay naar uitvoering toereikend met de auto overeenkomt voldoende gemotiveerd betwist. Belanghebbende heeft in het licht van deze betwisting niet aannemelijk dat de koerslijstmethode wel kan worden toegepast. De auto is weliswaar naar merk (Porsche), model (Cayenne), type (coupé) en leeftijd gelijk aan de auto in de koerslijst. En de rechtbank heeft ook geen aanwijzingen dat belanghebbende de koerslijst verkeerd heeft ingevuld, mogelijk alleen teveel opties geselecteerd zoals DRZ heeft geconstateerd. Echter, het verschil in CO2-uitstoot van 275 gr/km WLTP van de auto ten opzichte van een CO2-uitstoot van 212 g/km WLTP van de referentieauto is zodanig groot, dat dit een aanwijzing betreft dat sprake is van een andere uitvoering of een speciale, rijker uitgeruste versie die de auto onderscheidend maakt van de referentieauto en het voor de consument verschillende uitvoeringen zijn met uiteenlopende waarden. Het ligt op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat daarvan geen sprake is en daarin is hij niet geslaagd.
4.6.
Belanghebbende heeft voor dat geval een beroep gedaan op het (inmiddels vervallen) kennisgroepstandpunt [5] waarin volgens belanghebbende is aangegeven dat een verschil in CO2-uitstoot onvoldoende reden is om de koerslijst te weigeren. In dat kennisgroepstandpunt is opgenomen dat de CO2-uitstoot door de Hoge Raad [6] niet is meegenomen in de limitatieve opsomming en dus geen relevant criterium is voor de vraag of de koerslijstmethode kan worden gehanteerd. Daarbij is opgemerkt dat grotere afwijkingen in CO2-uitstoot doorgaans voortvloeien uit verschillen in (één of meerdere) door de Hoge Raad opgesomde kenmerken van een motorvoertuig en dat de koerslijstmethode dan niet kan worden toegepast. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van eenzelfde uitvoering als de referentieauto. Het beroep op het kennisgroepstandpunt kan hem daarom niet baten.
4.7.
Voorgaande betekent dat de auto niet voorkomt op een koerslijst. In dat geval kan de taxatiemethode wel worden toegepast. De rechtbank zal daarom de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde vaststellen uitgaande van de taxatiemethode.
Historische nieuwprijs
4.8.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 161.372. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [7] . De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere netto catalogusprijs, aangezien beide partijen dezelfde referentieauto hebben gehanteerd als degene die het meest vergelijkbaar is met de auto.
Handelsinkoopwaarde
4.9.
Bij toepassing van de taxatiemethode is de in de koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde slechts een uitgangspunt. De waarde zal verschillen vanwege andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de referentieauto’s waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd. [8]
4.10.
De rechtbank acht belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet in het bewijs geslaagd dat de koerslijstwaarde in dit geval de waarde van de auto weergeeft gelet op het verschil in uitvoering. Belanghebbende heeft verder volgens de inkoopfactuur € 82.499,99 betaald, terwijl de koerslijst een handelsinkoopwaarde weergeeft van € 64.646. Hoewel de inkoopfactuur niet als uitgangspunt kan worden genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen, kan het wel een indicatie geven dat in dit geval sprake is van een betere staat van de auto of van bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen ten opzichte van de referentievoertuigen waardoor de auto meer waard is. Niet aannemelijk is dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op de koerslijstwaarde of een zodanig (beperkt) hoger bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft op 27 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.12.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 maart 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 8 maanden heeft geduurd en daarmee 2 maanden te lang, komt € 187,50 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.312,50) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van het verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [9] , wat neerkomt op € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten beide de helft van die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [10] , maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 187,50;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.312,50;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [11]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.
3.Vgl. HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3.
4.Hof Amsterdam van 16 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3438.
5.Kennisgroepstandpunt van 14 maart 2023, KG:013:2023:2.
6.In het arrest van 20 mei 2002, ECLI:NL:HR:2022:640.
7.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
8.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
9.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
10.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
11.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.