ECLI:NL:RBZWB:2026:5321
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur, die een hogere aanslag vaststelde dan het bedrag dat belanghebbende had voldaan. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de aanslag aan de hand van verschillende waarderingsmethoden, waaronder de taxatiemethode, koerslijstmethode en herleidingsmethode.
De rechtbank verwerpt het beroep op de herleidingsmethode en oordeelt dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, waardoor de taxatiemethode niet kan worden toegepast. Wel wordt de koerslijstmethode gevolgd, waarbij de rechtbank het verschil in CO2-uitstoot onvoldoende acht om de koerslijst buiten beschouwing te laten. De historische nieuwprijs wordt vastgesteld conform het DRZ-rapport en het arrest van de Hoge Raad.
Op basis van deze waarderingen stelt de rechtbank de verschuldigde BPM vast op € 27.948, verminderd met het reeds betaalde bedrag, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 3.654. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat en de inspecteur gezamenlijk aansprakelijk worden gesteld. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 3.654 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 1.500.