ECLI:NL:RBZWB:2026:5321

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
BRE 23/10818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM wegens te hoge aanslag en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 5.357 opgelegd door de inspecteur, die een hogere aanslag baseerde op een hertaxatie door DRZ. De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is, maar te hoog, en stelt de verschuldigde BPM vast op € 27.948 minus reeds betaalde € 24.294, waardoor de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 3.654.

Belanghebbende voerde aan dat de taxatiemethode toegepast moest worden vanwege meer dan normale gebruiksschade, maar de rechtbank vond dit niet aannemelijk op basis van het taxatierapport en foto’s. De koerslijstmethode van XRay werd wel gevolgd, ondanks een CO2-uitstootverschil van 17 gr/km, omdat dit verschil onvoldoende was om de lijst buiten beschouwing te laten.

Verder werd de historische nieuwprijs vastgesteld op € 152.321 conform het arrest van de Hoge Raad. De rechtbank kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 100 voor rekening van de inspecteur en € 1.400 voor rekening van de Staat.

De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van € 3.200. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 3.654 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10818

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.357 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 15 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht maar tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 18 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Land Rover Range Rover Sport met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 24.294.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 29.651 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode moet worden toegepast omdat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur betwist dat er ten tijde van de aangifte sprake was van meer dan normale gebruikssporen. Daarbij wijst de inspecteur erop dat DRZ geen schade aan de auto heeft geconstateerd en heeft opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt.
4.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s van het portier, de velg en de band niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Op de foto’s van het portier ziet de rechtbank geen schade. Op de foto’s van de band en de velg zijn gebruikssporen te zien die naar het oordeel van de rechtbank normaal zijn gelet op de leeftijd van de auto (11 maanden) en de gereden kilometers (14.915). Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer. Dit brengt met zich dat de afschrijving voor de auto niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade.
Koerslijstmethode
4.3.
Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep gedaan op de koerslijstmethode en gesteld dat de koerslijst van XRay kan worden gevolgd.
4.4.
De inspecteur heeft gesteld dat de koerslijst niet kan worden gebruikt vanwege een verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto.
4.5.
De rechtbank overweegt in dat kader dat belanghebbende een beroep heeft gedaan op de (interne) correspondentie van de Belastingdienst waaruit volgt dat de koerslijst kan worden toegepast bij in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot. De rechtbank ziet gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 17 gr/km dan ook geen aanleiding om de koerslijst XRay buiten beschouwing te laten. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verschil onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake zou zijn van een andere uitvoering. Dit betekent dat de rechtbank de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 79.712 van de koerslijst XRay volgt.
Historische nieuwprijs
4.6.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 152.321. De inspecteur heeft zich, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] , daarbij aangesloten. De rechtbank ziet geen reden anders te beslissen.
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 152.321, een handelsinkoopwaarde van € 79.712 en een historische bruto Bpm van € 53.407, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 27.948. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 24.294 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 3.654. De belastingrentebeschikking moet dienovereenkomstig worden verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.8.
Belanghebbende heeft op 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 april 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 17 juni 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 15 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 7 maanden heeft geduurd en daarmee 1 maand te lang, komt € 100 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.400) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 3.654 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig wordt verminderd. Belanghebbende heeft verder recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 3.654;
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 100;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.400;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 17 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.