Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5348

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/4959
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep tegen niet tijdig besluit UWV

Verzoekster B.V. heeft op 23 september 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het UWV op haar aanvraag van 20 december 2023 voor een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Op 7 mei 2026 heeft het UWV alsnog een beslissing genomen, waarna verzoekster haar beroep introk onder de voorwaarde van een proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. Het UWV erkende dat verzoekster recht heeft op vergoeding. De rechtbank oordeelt dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen door alsnog te beslissen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding toewijsbaar is.

De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 467,-, bestaande uit kosten voor het indienen van het beroepschrift en de procedure over de overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van € 385,- door het UWV moet worden vergoed, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het UWV moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 18 juni 2026 en zonder zitting openbaar gemaakt. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens alsnog genomen besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4959

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het UWV op haar aanvraag om een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van werknemer [werknemer] van 20 december 2023. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV alsnog op de aanvraag heeft beslist.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld dat verzoekster recht heeft op een proceskostenvergoeding.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 23 september 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 20 december 2023. Verzoekster heeft de rechtbank op 7 mei 2026 bericht dat het UWV een beslissing heeft afgegeven op de aanvraag. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster heeft daarom op 7 mei 2026 de rechtbank medegedeeld het beroep te willen intrekken onder voorwaarde van proceskostenvergoeding. De rechtbank begrijpt deze mededeling als een verzoek om het UWV te veroordelen in de proceskosten. Nu het UWV zich hiertegen niet verzet, zal de rechtbank dit verzoek toewijzen.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het UWV wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.