Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5365

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/1842
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8.16a Wet IB 2001Art. 27h Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kostenvergoeding bezwaarfase bij aanslag inkomstenbelasting zonder jonggehandicaptenkorting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2023, omdat de jonggehandicaptenkorting niet was toegepast. De inspecteur verklaarde het bezwaar gegrond en paste de korting alsnog toe, maar nam geen beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op het verzoek om kostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende eerst de inspecteur in gebreke had moeten stellen, wat niet was gebeurd, en verklaarde dit deel van het beroep niet-ontvankelijk. Vervolgens werd het verweerschrift opgevat als een afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding.

De rechtbank overwoog dat de jonggehandicaptenkorting alleen geldt voor belastingplichtigen met een Wajong-uitkering in het kalenderjaar. Belanghebbende had dit niet aannemelijk gemaakt. De inspecteur had de aanslag terecht initieel zonder korting vastgesteld, waardoor geen sprake was van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarom was geen kostenvergoeding verschuldigd.

Hoewel het beroep ongegrond werd verklaard, bepaalde de rechtbank dat de inspecteur het betaalde griffierecht van €53 aan belanghebbende moest vergoeden vanwege de onduidelijke situatie die tot het beroep leidde.

Uitkomst: Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen; de inspecteur moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1842

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2023 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.599. Daarbij heeft de inspecteur geen jonggehandicaptenkorting toegepast. Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur € 16 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2023, omdat daarbij geen jonggehandicaptenkorting is toegepast. Verder heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de jonggehandicaptenkorting alsnog toegepast. De inspecteur heeft daarbij geen beslissing genomen op het verzoek om een kostenvergoeding.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Namens belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet-tijdig beslissen op verzoek om kostenvergoeding
2. De rechtbank vat het beroep zo op dat het (mede) is gericht tegen het niet-tijdig beslissen door de inspecteur op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
2.1.
Het beroep slaagt in zoverre niet. De inspecteur moet namelijk eerst in gebreke worden gesteld voordat beroep kan worden ingesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het verzoek om een kostenvergoeding. [1] Niet gesteld en ook niet gebleken is dat belanghebbende dit heeft gedaan. De rechtbank verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk.
Kostenvergoeding
2.2.
De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift dat belanghebbende graag een antwoord wil op de vraag of hij recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De rechtbank heeft daarom ter zitting met partijen afgestemd dat het verweerschrift ook kan worden opgevat als een afwijzende beslissing op het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Op deze manier kan de rechtbank toch een beslissing nemen over de kostenvergoeding.
2.3.
Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
2.4.
De inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding. Hij voert daartoe aan dat de aanslag IB/PVV 2023 bij uitspraak op bezwaar naar blijkt ten onrechte is verminderd, omdat belanghebbende feitelijk geen recht heeft op jonggehandicaptenkorting. Volgens de inspecteur is reeds daarom geen sprake van een aan hem te wijten onrechtmatigheid, nu de aanslag achteraf bezien juist blijkt te zijn vastgesteld en niet had moeten worden verminderd.
2.5.
De rechtbank is het met de inspecteur eens. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. [2] Vast staat dat belanghebbende in 2023 geen Wajong-uitkering heeft ontvangen. Belanghebbende stelt zonder onderbouwing dat hij in 2023 wel een slapend recht had op een Wajong-uitkering. Dat belanghebbende daadwerkelijk recht had op een Wajong-uiterking heeft hij naar het oordeel van de rechtbank – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de inspecteur bij de aanslag IB/PVV 2023 terecht initieel geen jonggehandicaptenkorting heeft toegekend en eigenlijk het bezwaar niet gegrond had hoeven te verklaren. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de bestreden aanslag is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid bij het opleggen van die aanslag. [3] Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het beroep is in zoverre dus ongegrond.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep wegens niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en voor het overige is het beroep ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
3.1.
Omdat het beroep ongegrond is heeft belanghebbende als uitgangspunt ook geen recht op vergoeding van het griffierecht en een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om te bepalen dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden. Door het bezwaar gegrond te verklaren en geen beslissing te nemen om het verzoek om een kostenvergoeding, heeft de inspecteur een onduidelijke situatie doen ontstaan die belanghebbende noopte tot het instellen van beroep. Onder die omstandigheden acht de rechtbank een vergoeding van het griffierecht passend. [4]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
2.Artikel 8.16a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
3.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3079; en Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1316.
4.Artikel 8:75 van Pro de Awb.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid Algemene wet inzake rijksbelastingen.