ECLI:NL:RBZWB:2026:54

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/2559
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure na intrekking beroep tegen WOZ-beschikking

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 9 januari 2026, wordt het verzoek van de belanghebbende om een proceskostenvergoeding beoordeeld. De belanghebbende had eerder beroep aangetekend tegen de WOZ-beschikking 2023, maar trok dit beroep in nadat de heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen het besluit had herzien. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft aangegeven akkoord te gaan met de vergoeding van de gemaakte proceskosten en het griffierecht.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe, aangezien de heffingsambtenaar geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank berekent de proceskostenvergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De belanghebbende heeft recht op een vergoeding van € 1496,56 voor de bezwaarprocedure en € 233,50 voor de beroepsprocedure, wat in totaal neerkomt op € 1730,06. Daarnaast is de heffingsambtenaar verplicht om het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen deze uitspraak binnen zes weken na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2559
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Drimmelen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Belanghebbende heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van 9 januari 2024. Hij heeft het beroep betreffende de WOZ-beschikking 2023 ingetrokken omdat de heffingsambtenaar het besluit heeft herzien.
1.1.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank medegedeeld dat hij akkoord gaat met het vergoeden van de gemaakte proceskosten en het door belanghebbende betaalde griffierecht.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken en verzocht om een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsprocedure. De heffingsambtenaar heeft aangegeven akkoord te zijn met het vergoeden hiervan. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te beslissen en wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Belanghebbende krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoeden?
3. De rechtbank ziet voor de bezwaarfase geen aanleiding om anders te beslissen dan partijen zijn overeengekomen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde van € 666. Verder krijgt belanghebbende een vergoeding voor het taxatierapport van € 164,56. De proceskostenvergoeding in bezwaar bedraagt dan € 1496,56.
3.1.
Volgens (de gemachtigde van) belanghebbende moet bij de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding artikel 30a van de Wet WOZ buiten toepassing worden gelaten vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar de arresten van de Hoge Raad van 17 januari 2025 [2] en 31 januari 2025 [3] , waarin dit standpunt wordt verworpen. De proceskostenvergoeding wordt daarom met toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ vastgesteld. De proceskostenvergoeding in beroep bedraagt dan € 233,50. Dit bedrag is het resultaat van de toekenning van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.
3.2.
In totaal heeft belanghebbende dan recht op een proceskostenvergoeding van
€ 1730,06.
Krijgt belanghebbende een vergoeding van het griffierecht?
4. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. [4] Belanghebbende moet zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar wenden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1730,06 aan proceskosten aan belanghebbende.
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Conform Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
3.Conform Hoge Raad van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156.
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.