ECLI:NL:RBZWB:2026:548

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/4039
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 6:10aa WhtArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt overschrijding beslistermijn kinderopvangtoeslag en legt dwangsom op

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over 2012-2015, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn van verweerder is overschreden en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is ontvangen. Verweerder had uiterlijk 2 juni 2025 moeten beslissen, maar heeft dit nagelaten.

De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 27 juli 2026 een besluit moet nemen. Voor elke dag vertraging na deze datum wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast moet verweerder het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 467,- aan eiseres vergoeden. De rechtbank wijst een verzoek om vergoeding van werkelijke proceskosten af, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 30 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en bepaalt dat verweerder uiterlijk 27 juli 2026 een besluit moet nemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4039

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 6 maart 2025 tegen de integrale herbeoordeling van de situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 tot en met 2015 van 3 oktober 2024 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op
6 maart 2025 en het is op dezelfde datum door verweerder ontvangen. In dit geval geldt de volgende beslistermijn. [2] Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf zes weken na de dag van verzending van het besluit
.Omdat het bezwaarschrift na deze zes weken is ontvangen, dient de beslistermijn berekend te worden vanaf de dag nadat het bezwaarschrift is ontvangen. [3]
3.1.
Op het moment dat verweerder gebruik maakt van de adviescommissie, geldt een termijn van twaalf weken. Uit de processtukken en het verweerschrift wordt niet duidelijk of gebruik wordt gemaakt van de adviescommissie. De rechtbank zal daarom uitgaan van een beslistermijn van zes weken.
3.2.
Verweerder heeft in de brief van 19 maart 2025 vermeld dat de beslistermijn is uitgesteld tot uiterlijk 17 april 2025 omdat eiseres nog niet heeft aangegeven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hiermee is de beslistermijn echter niet rechtsgeldig opgeschort of verlengd. Er is namelijk geen sprake van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb in samenhang met artikel 7:10, tweede lid, van de Awb. Verweerder gaat daar overigens in de dwangsombeschikking van 17 september 2025 kennelijk ook vanuit. Verweerder heeft in de brief van 19 maart 2025 de beslistermijn wel rechtsgeldig verlengd met zes weken op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb. Verweerder had dus in ieder geval uiterlijk op 2 juni 2025 moeten beslissen. [4] De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 11 juli 2025 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op dezelfde datum ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan verweerder opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
In het verweerschrift verzoekt verweerder om bij het bepalen van de beslistermijn aan te sluiten bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 maart 2025. [5]
4.2.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 een lijn uitgezet die geldt voor alle beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar door verweerder in het kader van de Wht. De rechtbank zal aansluiten bij die lijn. De rechtbank verwijst voor de motivering van deze lijn naar de inhoud van die uitspraak. De nieuwe lijn komt erop neer dat in dergelijke beroepen voortaan een nadere beslistermijn wordt opgelegd van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op het bezwaar. Dit geldt ook in herhaalde beroepen op het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar. Wanneer de termijn van 60 weken op het moment van verzending van de uitspraak over het niet op tijd nemen van een besluit op bezwaar is verstreken, dan sluit de rechtbank aan bij het wettelijke uitgangspunt. In dat geval geldt een nadere beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak. Dit laatste is slechts anders als verweerder (in het verweerschrift) een zeer goede reden geeft en onderbouwt waarom een termijn van twee weken wegens bijzondere omstandigheden niet passend is.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 2 juni 2025 is verstreken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk 27 juli 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend moet maken. Er is geen aanleiding om in dit individuele geval een andere beslistermijn te bepalen.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.2.
Eiseres heeft verzocht om af te wijken van het voorstaande en verweerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten. De rechtbank overweegt dat het op artikel 8:75 van Pro de Awb gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand regelt. Uitgangspunt van het Bpb is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiseres door de werkwijze en besluitvorming van verweerder inzake het niet tijdig beslissen op de aanvraag gedwongen werd tot het inroepen van rechtshulp waar een meer dan normale tijdsbesteding mee was gemoeid. Nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, bestaat voor toekenning van een andere dan de forfaitaire proceskostenvergoeding geen grond.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op uiterlijk 27 juli 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 30 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 van Pro de Awb, en in geval van besluiten op of na 14 december 2024 in artikel 6:10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen, en artikel 7:13 van Pro de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2136, r.o. 17.2.
4.Algemene termijnenwet en Besluit van 8 maart 2022, nr. 2022000289, houdende gelijkstelling van 28 april 2023, 19 mei 2023, 10 mei 2024, 27 december 2024 en 30 mei 2025 met een algemeen erkende feestdag.