Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
Dienst Toeslagen, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
De rechtbank bepaalt hiervoor geen termijn, omdat de termijn voor de betaling van de bestuurlijke dwangsom voortvloeit uit de wet en de wet geen bevoegdheid geeft om een (nadere) termijn te bepalen. Op grond van artikel 4:87, eerste lid, van de Awb dient de betaling van de bestuurlijke dwangsom te gebeuren binnen zes weken nadat de dwangsombeschikking bekend is gemaakt. Als deze beschikking niet tijdig wordt gegeven, zoals in dit geval, geldt als startpunt van die zes weken de laatste dag van de termijn waarbinnen beslist had moeten worden (artikel 4:100 van Pro de Awb).
Verweerder is de dwangsom verschuldigd van 13 augustus 2025 tot en met 23 september 2025. Dat betekent dat verweerder uiterlijk twee weken daarna de dwangsom had moeten vaststellen, dat is op 7 oktober 2025. De dwangsom had vervolgens zes weken daarna, op 17 november 2025, betaald moeten zijn.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 30 juli 2026 een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.