Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2012. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist. Eiseres stelde de Dienst Toeslagen vervolgens in gebreke en bracht het geschil aan de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De wettelijke beslistermijn was verstreken op 12 augustus 2025, waarna eiseres op 13 augustus 2025 ingebreke stelde. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op, conform de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de Dienst Toeslagen de beslistermijn overschrijdt. Verweerder moet ook het griffierecht en een forfaitaire proceskostenvergoeding van €467 aan eiseres vergoeden. Een verzoek tot vergoeding van werkelijke proceskosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 30 januari 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.