Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrentebeschikking die was opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting 2020. Hij stelde dat de rente onterecht en te hoog was berekend, mede omdat hij tijdig had betaald en het rentepercentage te hoog zou zijn. Ook werd een schending van het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel aangevoerd.
De rechtbank overwoog dat belastingrente wordt berekend vanaf zes maanden na het belastingjaar tot de dag voor de invorderingsdatum, en dat tijdige betaling niet relevant is voor de renteheffing. De aanslag week niet af van de aangifte, en de rente was correct berekend over de juiste periode. De rechtbank verwierp het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het verzoek tot matiging vanwege de behandeltermijn van de aanslag.
Verder oordeelde de rechtbank dat het rentepercentage niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en geen ongeoorloofde inbreuk maakt op het eigendomsrecht. Het motiveringsbeginsel was niet geschonden omdat de inspecteur in bezwaar de berekening had toegelicht. Het gelijkheidsbeginsel faalde omdat voor belanghebbende dezelfde aangiftetermijnen gelden als voor binnenlandse belastingplichtigen.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase, maar kende geen vergoeding toe vanwege de beperkte duur en het geringe financiële belang. Het beroep werd ongegrond verklaard, de belastingrentebeschikking bleef in stand en het griffierecht werd niet teruggegeven.