Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrentebeschikking die de inspecteur had opgelegd bij de aanslag inkomstenbelasting 2023. De inspecteur had belastingrente van €189 berekend over de periode van 1 juli 2024 tot en met 26 augustus 2024, ondanks dat belanghebbende tijdig aangifte had gedaan en betaald.
De rechtbank overwoog dat belastingrente verschuldigd is indien de aanslag wordt vastgesteld na zes maanden na het belastingjaar en dat de rente enkelvoudig wordt berekend over een wettelijk bepaald tijdvak. De inspecteur had de rente zelfs over een kortere periode berekend dan wettelijk mogelijk was. De stelling van belanghebbende dat de rente onterecht of te hoog was, werd verworpen, mede omdat tijdige betaling niet relevant is voor de renteheffing.
Verder oordeelde de rechtbank dat het motiveringsbeginsel niet is geschonden, omdat de inspecteur in bezwaar de berekening en het rentepercentage had toegelicht. Ook het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden, aangezien voor belanghebbende dezelfde aangiftetermijn gold als voor binnenlandse belastingplichtigen.
De rechtbank concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om de rente te matigen of achterwege te laten en dat de inspecteur binnen de wettelijke termijn handelde. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht bleef verschuldigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.