Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5525

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/6445
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 1.6a ChwArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergunningverlening zonnepark Goirle niet in strijd met goede ruimtelijke ordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goirle om een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van een zonnepark aan de [straat] in Goirle. De aanvraag dateert van 4 juni 2020 en betreft een zonnepark van circa zes hectare op agrarische gronden met een vergunningduur van 25 jaar.

Eisers voerden aan dat de aanvraag op grond van de Omgevingswet beoordeeld had moeten worden, dat het zonnepark in een verbreed beekdal ligt, dat de zonneladder niet correct is doorlopen, dat het project niet voldoet aan bestemmingsplanregels omtrent ecologische verbindingszones, en dat het plan het waardevolle beeklandschap, natuurwaarden, bedrijfsvoering en woonklimaat onevenredig aantast. Tevens werd aangevoerd dat het college onvoldoende uitvoering gaf aan een eerdere vernietigende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht op grond van de Wabo is beoordeeld omdat deze voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvullingen op de aanvraag zijn ondergeschikt en wijzigden de aanvraag niet wezenlijk. Het college heeft de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak correct in acht genomen en een eigen afweging gemaakt binnen de geldende kaders.

De rechtbank stelt vast dat het zonnepark niet in een verbreed beekdal ligt volgens het aangepaste beleid, dat de zonneladder uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant voldoende is doorlopen en gemotiveerd, en dat het project voldoet aan de afstandseisen tot ecologische verbindingszones. De stellingen over onevenredige aantasting en ontbrekend landbouwonderzoek zijn onvoldoende onderbouwd. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het zonnepark wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6445

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] V.O.F., [eiser] en Hoevenberg B.V., allen uit Goirle, eisers

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Zonnepark Beeksedijk B.V., uit Lijnden, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. H.P. Wiersema).

Samenvatting

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eisers tegen de beslissing op bezwaar van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college een omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van een zonnepark aan de [straat] in Goirle heeft verleend. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) in het bestreden besluit heeft toegepast en dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college mocht daarom naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunning verlenen. Eisers krijgen geen gelijk. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Op 4 juni 2020 is door vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ ten behoeve van de realisatie van een zonnepark op agrarische gronden aan de [straat] in Goirle. [1] Met de agrarische gronden worden de percelen bedoeld met de kadastrale aanduiding gemeente Goirle, [sectie] , nrs. [kadastraal nummer 1] , [kadastraal nummer 2] , [kadastraal nummer 3] , [kadastraal nummer 4] , [kadastraal nummer 5] en [kadastraal nummer 6] .
Kort samengevat betreft het project de realisatie van een zonnepark met een oppervlakte van circa zes hectare aan zonnepanelen en toebehoren voor een periode van 25 jaar. Het hele projectgebied is ongeveer achttien hectare groot. Uit de ruimtelijke onderbouwing en het landschapsplan blijkt dat ongeveer 62% van de ontwikkeling ten goede komt aan de inpassing van de zonnepanelen in het landschap. De geplande zonnepanelen zullen een bouwhoogte van maximaal 1,5 meter hebben. Rondom het terrein zullen ten behoeve van de beveiliging hekwerken worden geplaatst van maximaal 2,5 meter hoog, deze worden gesitueerd achter de landschappelijke inpassing. Bij de ingang(en) worden cameramasten geplaatst van maximaal vier meter hoog.
Bij uitspraak van 10 juni 2021 heeft de rechtbank een op de aanvraag verleende omgevingsvergunning vernietigd en het college opgedragen opnieuw op de aanvraag te besluiten. [2] Hangende het hoger beroep tegen deze uitspraak heeft het college opnieuw op de aanvraag besloten door een omgevingsvergunning af te geven. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 27 september 2023 de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en ook de nieuwe omgevingsvergunning, onder gegrondverklaring van de beroepen daartegen, vernietigd. [3] Hierdoor moest opnieuw op de aanvraag van 4 juni 2020 worden beslist.
1.1.
De gemeenteraad van de gemeente Goirle heeft op 4 februari 2025 een ontwerpverklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het initiatief.
1.2.
Het college heeft een ontwerpbesluit vastgesteld, strekkende tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning. Het ontwerpbesluit is samen met de daarbij behorende stukken met ingang van 31 juli 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegd.
1.3.
Eisers hebben op het ontwerpbesluit gereageerd met een zienswijze.
1.4.
De gemeenteraad heeft op 21 oktober 2025 een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
1.5.
Het college heeft vervolgens op 24 oktober 2025 het bestreden besluit genomen, waarbij de gevraagde omgevingsvergunning voor de duur van 25 jaar is verleend. [4] Op 3 november 2025 is kennis gegeven van de terinzagelegging van het bestreden besluit.
1.6.
Op 12 december 2025 hebben eisers hier beroep tegen ingesteld.
1.7.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [eiser] en hun gemachtigde. Namens het college was [gemachtigde] aanwezig. Vergunninghoudster werd op zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en haar gemachtigde.
Wat voeren eisers aan?
2. Eisers voeren aan dat de aanvraag beoordeeld had moeten worden op grond van de Omgevingswet in plaats van de Wabo. Daarnaast voeren zij aan dat het bestreden besluit in strijd is met het beleid van het college, omdat de beoogde locatie van het zonnepark in een (verbreed) beekdal ligt. Ook zijn eisers van mening dat de zonneladder uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) niet correct is doorlopen en dat het bestreden besluit niet voldoet aan de bestemmingsplanregels, omdat geen afstand van minimaal 25 meter wordt gehouden tussen het projectgebied en ecologische verbindingszones. Verder hebben eisers aangevoerd dat met het bestreden besluit geen uitvoering is gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, dat het waardevolle beeklandschap, de natuurwaarden, de bedrijfsvoering en het woon- en leefklimaat onevenredig worden aangetast en dat onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw ontbreekt.
2.1.
Op de zitting hebben eisers bevestigd dat zij zich niet langer op het standpunt stellen dat het bouwen van het zonnepark in het verbreed beekdal in strijd is met het beleid van de provincie.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.1.
Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak door vergunninghoudster ingediend vóór 1 januari 2024, namelijk op 4 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing blijft. Dit omvat ook de Crisis- en herstelwet (Chw) en de IOV die op het bestreden besluit van toepassing waren.
3.2.
Op de beoogde locatie van het zonnepark waren daarnaast het bestemmingsplan ‘Buitengebied Goirle’ (het bestemmingsplan) en het ‘Parapluplan gemeente Goirle’ van kracht.
Ambtshalve toetsing
4. Niet in geschil is dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, waaronder artikel 1.6a van toepassing is. In afwijking van het stelsel neergelegd in de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaalt artikel 1.6a van de Chw dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Uitwerking van wel tijdig ingediende gronden is na afloop van de termijn nog wel mogelijk.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de in rechtsoverweging 2 genoemde gronden voldoende duidelijk en concreet zijn en geen loutere opsomming zijn van formele beginselen. Er is naar het oordeel van de rechtbank inhoudelijk naar voren gebracht waarom eisers het niet eens zijn met de verleende omgevingsvergunning. Deze gronden en de nadere uitwerking van deze gronden in het aanvullende schrijven van 4 mei 2026 betrekt de rechtbank daarom bij haar beoordeling. Anders dan verweerder beschouwt de rechtbank het aanvullend schrijven van 4 mei 2025 dus als een uitwerking van de binnen de beroepstermijn ingediende beroepsgronden.
4.2.
Omdat eisers gronden hebben aangevoerd die zijn aan te merken als beroepsgronden, komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep, anders dan het college heeft betoogd, wel ontvankelijk is.
Beoordeling van de aanvraag op grond van de Omgevingswet?
5. Eisers zijn van mening dat de aanvraag niet op grond van de Wabo maar op grond van de Omgevingswet beoordeeld had moeten worden. Het plan is ten opzichte van de aanvraag van 4 juni 2020 namelijk volgens eisers in de tussentijd zodanig gewijzigd dat de aanvraag niet meer gezien kan worden als de grondslag van het bestreden besluit.
5.1.
Zoals de Afdeling in een eerdere uitspraak [5] heeft overwogen, moet bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die ingevolge artikel 3.10 van de Wabo worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb, in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is, dan wel aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld.
5.2.
De rechtbank stelt, mede gelet op wat op zitting is verklaard, vast dat de aanvraag na 4 juni 2020 nog is aangevuld met een plan voor energieopslagsystemen en een nader aangevulde ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank constateert dat deze aanvullingen voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit zijn toegevoegd. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het zonnepark en de ruimtelijke uitstraling ervan vrijwel ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van het eerder aangevraagde bouwplan. Gelet op wat de rechtbank onder rechtsoverweging 5.1 heeft overwogen, stond het vergunninghoudster vrij de aanvraag op dat moment nog te wijzigen, zeker nu het gaat om een ondergeschikte wijziging van de aanvraag. De aanvulling van de aanvraag leidt daarom niet tot de conclusie dat de aangevulde aanvraag aangemerkt moet worden als een nieuwe aanvraag. De Wabo blijft dus ook gewoon op de aanvraag van toepassing. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 [6]
6. Eisers voeren aan dat het college onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, waarbij de Afdeling een eerder verleende omgevingsvergunning ten behoeve van hetzelfde project vernietigd heeft.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het college opnieuw, met inachtneming van de toepasselijke regelgeving en de uitspraak van de Afdeling op de aanvraag heeft besloten. Het college mag binnen deze kaders een eigen afweging maken. De rechtbank beoordeelt het beroep van eisers tegen het bestreden besluit aan de hand van hun beroepsgronden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Een goede ruimtelijke ordening
7. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
7.1.
De Wabo kent in het eerste lid van artikel 2.10 een verplicht toetsingskader voor een bouwactiviteit. Kort gezegd betekent dit dat het college moet toetsen of het bouwplan voldoet aan het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en redelijke eisen van welstand. Indien er geen sprake is van strijd met één van deze weigeringsgronden moet het college de vergunning verlenen. Indien er zich één van deze weigeringsgronden voordoet, is het college in beginsel verplicht de omgevingsvergunning voor het bouwen te weigeren.
7.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake is van een weigeringsgrond voor de bouwactiviteit met uitzondering van strijd met het bestemmingsplan.
7.3.
Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo volgt dat het college op grond van deze bepaling bevoegd is om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen wanneer uit een ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.4.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [7]
7.5.
De gronden van het projectgebied hebben allemaal onder meer de bestemming ‘Agrarisch - Landschapswaarden’. Het initiatief is volgens het college in strijd met deze bestemming (en dus met het bestemmingsplan), omdat het gebruiken van gronden ten behoeve van een grondgebonden zonnepark niet is aan te merken als agrarische bodemexploitatie. [8] Dit is ook niet in geschil tussen partijen.
7.6.
Het college heeft voor de onderbouwing dat het verlenen van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing.
Verbreed beekdal
7.7.
Eisers voeren aan dat het zonnepark in een verbreed beekdal ligt en daarom in strijd is met het gemeentelijke beleid.
7.8.
De voorwaarde dat het zonnepark niet in een verbreed beekdal mag komen te liggen, is afkomstig uit de Nota "Toetsingscriteria voor locaties Zonneparken Goirle" (de Nota). Deze Nota is een beleidsregel. Op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
7.9.
De rechtbank constateert dat er in een eerdere procedure onduidelijkheid [9] was of het Zonnepark [straat] aan deze voorwaarde voldeed. Bij de Nota zat destijds een bijlage met twee kaartjes waarop de ligging van de beschermde beekdalen werd weergegeven. Een van de kaartjes was afkomstig uit het Landschapsbeleidsplan van de gemeente Goirle. Op dit kaartje stonden de beekdalen eenduidig weergegeven als afzonderlijk landschapstype. Zonnepark [straat] lag op basis van deze kaart niet in een gebied dat als een beekdal is aangeduid. Het tweede kaartje was afkomstig uit een beleidsdocument van de provincie over een subsidieregeling voor landschapsontwikkeling (‘STIKA’, tegenwoordig ‘STILA’). In de hoger beroepsprocedure heeft dit tweede kaartje voor onduidelijkheid gezorgd. De Afdeling constateerde dat de twee kaartjes ten aanzien van de ligging van een verbreed beekdal niet overeenkwamen en dat daar geen eenduidige conclusie uit volgde.
7.10.
De rechtbank stelt vast dat het college deze onduidelijkheid vervolgens heeft weggenomen door zijn Nota aan te passen en het STIKA-kaartje daaruit te verwijderen. Wat resteert in de Nota is het kaartje, dat aangeeft dat de beoogde locatie van het zonnepark niet in een (verbreed) beekdal ligt. Omdat het bestreden besluit genomen is op basis van de hernieuwde versie van de Nota, is de rechtbank van oordeel dat het college overeenkomstig zijn beleid heeft gehandeld door ervanuit te gaan dat het zonnepark niet in een verbreed beekdal komt te liggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De zonneladder
7.11.
Eisers voeren aan dat trede 1 en trede 2 van de zonneladder uit artikel 3.41, eerste lid, van de IOV (hierna: de zonneladder) niet correct doorlopen zijn. Op zitting hebben zij expliciet aangegeven dat zij niet bestrijden dat trede 3 correct doorlopen is.
7.12.
De rechtbank overweegt dat de zonneladder de voorkeursvolgorde weergeeft voor locaties voor zonneparken. Artikel 3.41, eerste lid, van de IOV bevat, naast andere voorwaarden voor vestiging van zonnepanelen in het landelijk gebied, een zonneladder. Daarin wordt bepaald dat vestiging van zonnepanelen binnen stedelijk gebied en op gronden aansluitend aan stedelijk gebied, voorgaat op vestiging in landelijk gebied. Ook bevat die bepaling de voorwaarde dat uit onderzoek moet zijn gebleken dat de aanleg van een zonnepark in landelijk gebied noodzakelijk is, omdat in onvoldoende mate kan worden voorzien in de behoefte voor duurzame energie door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie, door meervoudig ruimtegebruik in landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen.
7.13.
Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling [10] moet het college beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Waarom voor de beoogde locatie van het zonnepark gekozen is, dient dus te worden gemotiveerd. De zonneladder is daar een hulpmiddel voor.
7.14.
De Afdeling heeft in de eerdere procedure geoordeeld dat de zonneladder niet vereist dat eerst daadwerkelijk alle mogelijkheden op eerdere treden van de zonneladder zijn benut, maar dat het toestaan van een zonnepark op een locatie die de laatste voorkeur heeft wel een deugdelijke motivering vereist. [11]
Trede 1: “door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie”
7.15.
Eisers zijn van mening dat de berekening, waarin het college uiteengezet heeft hoeveel zonnepanelen op de daken gelegd kunnen worden, ondeugdelijk is, omdat het onduidelijk is waar het aantal ‘geschikte daken’ op gebaseerd is.
7.16.
De rechtbank stelt vast dat eisers niets hebben aangevoerd tegen de berekening zelf. De aantallen worden op zichzelf dus niet betwist. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college trede 1 voldoende gemotiveerd heeft doorlopen.
Trede 2: “binnen Stedelijk gebied”
7.17.
Ter zitting heeft vergunninghouder onder verwijzing naar bijlage 9 bij de ruimtelijke onderbouwing toegelicht dat alle locaties zijn bekeken binnen het stedelijk gebied. Op basis van dit onderzoek is uitgekomen op drie locaties die in potentie geschikt zijn voor een zonnepark: locatie A, B en C. In bijlage 9 bij de ruimtelijke onderbouwing (bijlage 13 bij het bestreden besluit) is te lezen welke locaties hier precies mee worden bedoeld. Voor locatie A bestaat inmiddels al een ander concreet plan. Locatie B is ook geen optie meer, omdat voor deze locatie een omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van een bedrijfshal. Alleen locatie C blijft dus over, alleen kan daar slechts 2,6 hectare aan zonnepark geplaatst worden. Dit is onvoldoende om de totale opgave van benodigde zonne-energie te realiseren. Het college heeft deze onderbouwing, die dus door vergunninghouders is toegelicht, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
7.18.
De rechtbank stelt vast dat eisers deze toelichting onvoldoende hebben bestreden. De rechtbank is om deze reden van oordeel dat ook trede 2 voldoende gemotiveerd is doorlopen.
Trede 3: “door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen”
7.19.
De motivering bij deze trede in bijlage 9 bij de ruimtelijke onderbouwing hebben eisers niet bestreden.
Trede 4: “op gronden aansluitend op Stedelijk gebied”
7.20.
Gelet op het voorgaande mocht het college naar het oordeel van de rechtbank, na het doorlopen van de eerste drie treden, uitkomen bij trede 4. De rechtbank is van oordeel dat het college, door de zonneladder uit de IOV voldoende gemotiveerd te hebben doorlopen, ook heeft voldaan aan de zonneladders uit de Nota, de beleidsvisie Zonnewijzer en windrichting Gemeente Goirle en de Regionale Energie- en Klimaatstrategie 1.0.
Ecologische verbindingszone
7.21.
Eisers stellen dat het zonnepark niet op 25 meter afstand van de ecologische verbindingszones is gepland. Dit is volgens eisers in strijd met de bestemmingsplanregels.
7.22.
De rechtbank stelt vast dat de percelen gemeente Goirle, [sectie] , nrs. [kadastraal nummer 1] en [kadastraal nummer 3] , die onderdeel uitmaken van het projectgebied van het zonnepark, ecologische verbindingszones bevatten. In artikel 3.25 van de IOV in samenhang met artikel 4.1 van het bestemmingsplan staan regels over de ecologische verbindingszone. Hieruit volgt dat de gronden gelegen op of binnen een afstand van 25 meter van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’ op de plankaart, ongeacht hetgeen elders in deze voorschriften is bepaald, niet mogen worden bebouwd.
7.23.
Op zitting heeft het college laten zien dat er een afstand van 26,6 meter ligt tussen de ecologische verbindingszones en het projectgebied. Dit is op zitting door eisers niet betwist. De rechtbank gaat er daarom ook van uit dat dit klopt. Naar het oordeel van de rechtbank is het aangevraagde project dus niet in strijd met artikel 3.25 van de IOV en artikel 4.1 van het bestemmingsplan. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige aantasting van het waardevolle beeklandschap, de natuurwaarden, de bedrijfsvoering en het woon- en leefklimaat
7.24.
De rechtbank is van oordeel dat eisers hun stelling, dat het geplande zonnepark het waardevolle beeklandschap, de natuurwaarden, de bedrijfsvoering en het woon- en leefklimaat (onevenredig) zal aantasten, niet hebben onderbouwd. De rechtbank ziet ook overigens in het dossier geen aanwijzing voor de juistheid van deze enkele stelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7.25.
Eisers zijn van mening dat een onderzoek naar de gevolgen van het aangevraagde project voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw ten onrechte ontbreekt.
7.26.
De rechtbank overweegt dat ook deze beroepsgrond niet door eiseres is onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.27.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie en gevolgen

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op het voorgaande, terecht de procedure op grond van de Wabo toegepast bij de beoordeling van de aanvraag en de vergunningverlening en heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten dat het zonnepark niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunning kunnen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Eisers krijgen om deze reden het griffierecht niet terug. Ook krijgen ze geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzitter, en mr. M.J. Schouw en mr. T.I. van Term, leden, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:5, eerste lid en onder d

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
(…)
d. de gronden van het bezwaar of beroep.

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
(…)
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Crisis- en herstelwet

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 3.25 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:
ten minste 50 meter in Stedelijk Gebied en in Verstedelijking Afweegbaar;
ten minste 25 meter in alle overige gebieden.
2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels, om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, die in ieder geval:
het oprichten van bebouwing beperken;
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten beperken.
3. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.41 Zonne-parken in Landelijk gebied

1. Binnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:
a. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie:
door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie;
binnen Stedelijk gebied;
door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en
op gronden aansluitend op Stedelijk gebied.
de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;
de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;
de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.
2. De maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
de mate van meervoudig ruimtegebruik;
de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;
de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.
3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
Het Bestemmingsplan Buitengebied Goirle
4.1
Ecologische verbindingszone
4.1.1
De gronden gelegen op of binnen een afstand van 25 m van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’ op de plankaart mogen ongeacht hetgeen elders in deze voorschriften is bepaald niet worden bebouwd.
4.1.2
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde onder 4.1.1 voor het bebouwen van de gronden overeenkomstig de bestemmingen indien de waarden van de ecologische verbindingszone niet onevenredig worden aangetast en indien blijkt dat het duurzaam functioneren van de ecologische verbindingszone gewaarborgd is.
4.1.3
Bij het verlenen van vrijstellingen of het toepassen van de wijzigingsbevoegdheden op grond van de bepalingen in deze voorschriften op of binnen een afstand van 25 m van de aanduiding ‘ecologische verbindingszone’ op de plankaart, mogen de waarden van de ecologische verbindingszone niet onevenredig worden aangetast en dient het duurzaam functioneren van de ecologische verbindingszone gewaarborgd te worden.
4.1.4
Alvorens toepassing te geven aan een vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheid winnen burgemeester en wethouders advies in bij het bevoegde waterstaatsgezag.
8.1
Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor ‘Agrarisch - Landschapswaarden’ (A - L) aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
b behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor de op de plankaart aangeduide:
- aardkundig waardevol gebied;
- landschappelijk besloten;
c behoud, herstel en/of ontwikkeling van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘hydrologisch waardevolle kern’ en ‘hydrologisch waardevolle buffer’ op de plankaart;
d behoud van archeologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘archeologische verwachtingswaarde’ op de plankaart;
e behoud van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduidingen ‘cultuurhistorisch waardevolle akker’ en ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’ op de plankaart;
f volkstuinen ter plaatse van de aanduiding ‘volkstuinen’ op de plankaart;
g bergbezinkbassin ter plaatse van de aanduiding ‘bergbezinkbassin’ op de plankaart;
h behoud, herstel en/of ontwikkeling van de waterberging en het waterbergend vermogen van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘bestaand inundatiegebied’ op de plankaart en/of ‘in te richten waterbergingsgebied 2016’ op de zoneringkaart;
i ecologische verbindingszones;
j behoud en ontwikkeling van (kleinschalige) landschapselementen;
k behoud, herstel en/of ontwikkeling van (on- en halfverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
l water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
m extensief recreatief medegebruik.

Voetnoten

1.Zie artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo.
2.Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2914.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624.
4.Op grond van artikel 2.10 van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 3° van de Wabo heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2157.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:47.
8.Zie artikel 8.1 van het bestemmingsplan.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3624.