ECLI:NL:RBZWB:2026:5558

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
25/5595
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 170 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Paragraaf 2 Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekensArt. 24 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 24 lid 2 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bestuursdwang en kostenverhaal bij wegslepen voertuig wegens tijdelijk parkeerverbod

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om bestuursdwang toe te passen door zijn voertuig weg te slepen wegens overtreding van een tijdelijk parkeerverbod op de Ginnekenmarkt te Breda.

De toezichthouder constateerde op 4 mei 2025 dat het voertuig van eiser geparkeerd stond binnen het geldende parkeerverbod van 09:00 tot 18:00 uur. Het college legde een last onder bestuursdwang op en sleepte het voertuig weg. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat het verkeersbord niet conform voorschriften was geplaatst en dat communicatie over het parkeerverbod gebrekkig was.

De rechtbank oordeelt dat het bord, ondanks dat het niet haaks op de wegas stond, voldoende zichtbaar was en dat eiser redelijkerwijs had moeten controleren of het voertuig correct geparkeerd stond. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het college zouden verplichten af te zien van bestuursdwang. Ook het kostenverhaal is rechtmatig, hoewel het college een te hoog bedrag heeft terugbetaald.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot bestuursdwang en het kostenverhaal in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van de kosten of het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het college mocht bestuursdwang toepassen en de kosten verhalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5595 OWHAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda(het college), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang aan eiser die strekt tot het wegslepen van een voertuig en het verhalen van de kosten hiervan op eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college bevoegd was bestuursdwang toe te passen en of het college de kosten daarvan op eiser kon verhalen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers auto mocht wegslepen en de kosten daarvan in redelijkheid op van eiser kon verhalen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 mei 2025 (primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd die strekt tot het wegslepen van een voertuig en de kosten hiervan op eiser verhaalt. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 22 september 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het besluit

3. Op 4 mei 2025 omstreeks 09.19 uur heeft de toezichthouder van de gemeente Breda geconstateerd dat het voertuig met [kenteken] geparkeerd stond op de openbare weg, Ginnekenmarkt te Breda. Op dit moment gold ter plaatse een parkeerverbod van 09.00 uur tot en met 18.00 uur in verband met een evenement.
Op het voertuig is bestuursdwang toegepast. Besloten is om op 09.27 uur het voertuig weg te slepen en in bewaring te stellen op de door het college aangewezen bewaarplaats. Dit is neergelegd in het primaire besluit.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
Eiser heeft zich op 6 mei 2025 gemeld bij het wegsleepbedrijf en heeft de kosten van het wegslepen voldaan.
Bestreden besluit
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, het besluit tot het toepassen van bestuursdwang in stand gelaten en de kostenbeschikking deels herroepen. Het college heeft verwezen naar het advies van de ambtelijk hoorder. De ambtelijk hoorder stelt vast dat sprake was van een overtreding en is daarnaast van mening dat het college terecht heeft gesteld dat het wegslepen van het voertuig noodzakelijk was in verband met het opbouwen en houden van een evenement. Het college was dan ook bevoegd om bestuursdwang toe te passen en het voertuig te laten wegslepen.
Overwogen wordt dat er een gegronde reden was om af te wijken van de regel om in beginsel borden haaks ten opzichte van de wegas te plaatsen, omdat op het bord een pijl geplaatst was waarmee werd aangegeven in welke richting het tijdelijk parkeerverbod geldig was. Verder wordt opgemerkt dat van belang is dat elke verkeersdeelnemer moet controleren wat de ter plaatse geldende verkeersregels zijn. Eiser had het bord moeten opmerken, ook omdat hij zijn voertuig direct na het bord had geparkeerd. Het college is niet wettelijk verplicht bewoners per brief van tevoren te informeren. Daarnaast is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor het college af had moeten zien van handhaving. Ook bestaat er geen wettelijke verplichting om eigenaren van voertuigen te waarschuwen om het wegslepen van voertuigen te voorkomen. Dat bezwaarmaker voorafgaand aan het wegslepen in het buitenland was, doet niet af aan de overtreding. Het college heeft terecht de kosten bij bezwaarmaker in rekening gebracht. Wel stelt de ambtelijk hoorder vast dat het genoemde totaalbedrag niet correspondeert met de kosten die vermeld staan in de Wegsleepverordening Breda 2024, waardoor bij bezwaarmaker € 27,16,- te veel in rekening is gebracht. Het college heeft overwogen dat dit bedrag aan eiser moet worden terugbetaald.

Beroepsgronden

4. Eiser voert aan dat het verkeersbord waarop het tijdelijke parkeerverbod was gebaseerd, niet conform de voorschriften is geplaatst. Volgens paragraaf 2 van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens dient een verkeersbord haaks op de as van de weg te worden geplaatst, zodat het voor alle weggebruikers duidelijk zichtbaar is. In dit geval was het bord niet haaks op de as van de weg geplaatst, waardoor het vanuit de rijrichting van eiser (de enige rijrichting, omdat het gaat om een eenrichtingsweg) net na een bocht onvoldoende zichtbaar was.
Ten tweede voert eiser aan dat er sprake is van een onvoldoende motivering en gebrekkige communicatie. Eiser heeft ondanks meerdere keren bellen, mailen en een hoorzitting nog steeds geen duidelijk antwoord gekregen op zijn vragen over de plaatsing en geldigheid van het bord. Hoewel tijdens de hoorzitting is toegezegd een schriftelijke toelichting te sturen waarin zou worden uitgelegd waarom het bord niet haaks op de as van de weg geplaatst zou zijn, is deze niet ontvangen. Het college stelt dat het bord enkel bedoeld was voor bepaalde parkeervakken, terwijl in de praktijk het parkeerverbod voor de gehele Ginnekenmarkt gold. Ook hierop heeft eiser geen duidelijk antwoord gekregen.
Omdat het verkeersbord verkeerd stond en de gemeente daarna niet duidelijk heeft gereageerd of gehandeld is eiser van mening dat de sanctie onterecht is opgelegd en vraagt daarom om de beslissing te herzien en de boete te laten vervallen.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank stelt vast dat er op 4 mei 2025 op de Ginnekenmarkt te Breda een verkeersbord stond dat een tijdelijk parkeerverbod aangaf op 4 mei 2025 van 09:00 uur tot en met 18:00 uur en dat niet in geschil is dat het voertuig van eiser omstreeks 09.19 uur hier geparkeerd stond.
7. Voor de vraag of een parkeerverbod van kracht is, is de situatie ter plekke bepalend. Uit vaste rechtspraak volgt dat als uitgangspunt geldt dat elke verkeersdeelnemer zich ervan dient te vergewissen wat de ter plaatse geldende verkeersregels zijn en dat, voor zover hem dat niet direct kenbaar is, hij nader dient te bezien wat op een zich ter plaatse bevindend verkeersbord is aangegeven. Voorts dient een verkeersdeelnemer een verkeersbord dat als zodanig herkenbaar is, in het belang van de rechtszekerheid en verkeersveiligheid op te volgen, ook al is het verkeersbord niet geplaatst met inachtneming van de daaromtrent geldende (beleids)voorschriften [1] .
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het verkeersbord haaks op de wegas had moeten worden geplaatst om het geldig te laten zijn. Het uitgangspunt is dat verkeersborden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas worden geplaatst. [2] De woorden “in beginsel” laten ruimte voor andere gevallen. In dit geval was er sprake van een verkeersbord met een pijl naar links, die als functie had aan te duiden welke parkeerplaatsen onder het parkeerverbod golden. Het college heeft daarmee terecht gesteld dat dit verkeersbord, gelet op de specifieke functie, niet haaks op de weg geplaatst kon worden. Het feit dat op andere momenten op dezelfde plek een andersoortig verkeersbord, dat ook een tijdelijk parkeerverbod aangaf, wel haaks op de wegas was geplaatst, maakt dat niet anders.
8. Eisers stelling dat hij het verkeersbord niet had kunnen zien, omdat hij op een eenrichtingsweg reed en hij hierdoor bij het aan komen rijden tegen de achterkant van het bord aan keek, slaagt niet. Ondanks dat het bord niet haaks op de wegas stond had het voor eiser zichtbaar kunnen zijn en mocht redelijkerwijs worden verwacht dat hij, zo nodig na het parkeren, verifieerde of het voertuig conform de ter plaatse geldende verkeersregels staat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op de foto’s die zich in het dossier bevinden is te zien dat de auto direct naast het betreffende verkeersbord staat geparkeerd.
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van overtreding van het tijdelijk parkeerverbod. Dat betekent dat het college gerechtigd was om bestuursdwang toe te passen en het voertuig weg te slepen. De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van het toepassen van bestuursdwang.
10. Uit vaste rechtspraak volgt dat de uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal als regel samengaan. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat de kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal. [3]
De rechtbank is van oordeel dat er, mede gelet op het bovenstaande, in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat het college gerechtigd was om de kosten van het wegslepen van het voertuig op eiser te verhalen.
11. De rechtbank beperkt haar toetsing tot de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de aangevoerde grond betreffende gebrekkige communicatie met name is ingebracht ter volledigheid van het bredere geheel. Nu deze communicatie geen rechtstreeks verband houdt met de rechtmatigheid van het besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om hierop nader in te gaan.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat hij de kosten die hij heeft moeten betalen voor het wegslepen van de auto niet terugkrijgt. Eiser krijgt daarom ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juni 2026 door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage – wettelijk kader

Gemeentewet
Artikel 125
Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
(…)
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 170 lid Pro 1
Tot de bevoegdheid van burgemeester en wethouders tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van Pro de Gemeentewet, behoort de bevoegdheid tot het overbrengen en in bewaring stellen van een op een weg staand voertuig, indien met het voertuig een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en bovendien verwijdering van het voertuig noodzakelijk is in verband met
het belang van de veiligheid op de weg, of
het belang van de vrijheid van het verkeer, of
vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen.
Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens
Paragraaf 2
Borden worden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas geplaatst.
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
Artikel 24 lid 1 aanhef Pro en onder d onder 3
De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeergelegenheid op dagen of uren waarop dit blijkens het onderbord verboden is
Artikel 24 lid Pro 2
Indien onder de verkeersborden E4 tot en met E8, E12 en E13 van bijlage 1, op een onderbord dagen of uren zijn vermeld, gelden de uit het bord of onderbord voortvloeiende geboden of verboden slechts gedurende de aangegeven dagen of uren.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:BI8487.
2.Paragraaf 2 van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3390.