ECLI:NL:RBZWB:2026:5579

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/6438
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken toereikende machtiging bij WOZ-beschikking

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-beschikking 2025 voor een onroerend goed in een Nederlandse gemeente. Het beroep is ingediend door een gesteld gemachtigde, die echter geen geldige machtiging van belanghebbende heeft overgelegd. De rechtbank heeft meerdere malen verzocht om een juiste machtiging, zowel via een bericht in het digitale dossier als per aangetekende brief.

Ondanks deze verzoeken heeft de gemachtigde geen toereikende machtiging ingediend en heeft hij geen verontschuldiging gegeven voor het verzuim. De rechtbank concludeert daarom dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en beoordeelt het beroep niet inhoudelijk. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: [gesteld gemachtigde] , verbonden aan Het Nieuwe WOZ-Bureau),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 november 2025. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2025 voor het object [adres] te [woonplaats] met aanslagnummer [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd die is ondertekend door [belanghebbende] . Gesteld gemachtigde heeft een machtiging overgelegd van [persoon] , terwijl de uitspraak op bezwaar is gericht aan [belanghebbende] .
4.1.
De rechtbank heeft bij bericht van 17 december 2025 gesteld gemachtigde verzocht om alsnog de juiste machtiging te overleggen van [belanghebbende] . De rechtbank heeft vervolgens op 19 januari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst. Gesteld gemachtigde is hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een toereikende machtiging van [belanghebbende] te overleggen. Van plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan gesteld gemachtigde verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat gesteld gemachtigde dit bericht op 19 januari 2026 heeft ontvangen. [3] Bij aangetekend verzonden brief van 11 februari 2026 is gesteld gemachtigde een laatste keer in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van de brief het verzuim te herstellen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 12 februari 2026 om 07:12 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Gesteld gemachtigde heeft geen toereikende machtiging ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).