ECLI:NL:RBZWB:2026:5617

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/02/434840 FA RK 25-2205
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:251 lid 2 BWArt. 1:251a BWArt. 10:56 BWArt. 815 lid 2 Rv
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig ouderlijk gezag aan moeder bij echtscheiding wegens zorgbehoefte kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 mei 2026 een verzoek tot echtscheiding tussen een vrouw en een man die sinds 2006 gehuwd waren. Uit het huwelijk is een minderjarige geboren die intensieve medische zorg nodig heeft. De man woont op Curaçao en de vrouw in Nederland. De man was niet verschenen op de zitting en heeft geen verweerschrift ingediend.

De vrouw verzocht primair om eenhoofdig gezag over het kind toe te kennen aan haar en subsidiair om het hoofdverblijf van het kind bij haar vast te stellen. Tevens vroeg zij om een onderhoudsbijdrage van €300 per maand door de man. De rechtbank oordeelde dat zij rechtsmacht heeft op grond van interregionaal privaatrecht en Brussel II-ter verordening, en dat Nederlands recht van toepassing is.

De rechtbank stelde vast dat het gezamenlijk gezag niet in stand kan blijven vanwege de afstand tussen ouders en de intensieve zorg die het kind nodig heeft. De man heeft nauwelijks invulling gegeven aan het gezag en is regelmatig onbereikbaar. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het verzoek toe te wijzen. De rechtbank kende het eenhoofdig gezag toe aan de moeder en stelde de onderhoudsbijdrage vast op €300 per maand, ingaande vanaf de datum van het verzoek. Het subsidiaire verzoek tot hoofdverblijf werd niet behandeld.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, eenhoofdig gezag toegekend aan moeder en onderhoudsbijdrage van €300 per maand vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/434840 FA RK 25-2205
datum uitspraak: 26 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat voorheen: mr. M.C.J.G. Kathmann,
advocaat nu: mr. E.C.A.E. Verschuren,
en
[de man],
wonende te [plaats 2] , Curaçao,
hierna te noemen de man.
zonder advocaat.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 30 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de brief van mr. Kathmann van 19 juni 2025 met bijlage;
- de brief van mr. Kathmann van 12 augustus 2025;
- het F9-formulier van mr. Kathmann van 29 augustus 2025;
- de brief van mr. Kathmann van 4 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Verschuren van 10 april 2026 met bijlage;
- de brief van de griffier van 19 december 2025 aan de man.
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 21 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw en haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad.
1.3 De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet op de zitting verschenen. Hij heeft ook geen verweerschrift ingediend.
1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Hij heeft geen gebruik gemaakt van die gelegenheid.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2006 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna ook: [minderjarige] ;
- uit hun relatie is verder geboren de inmiddels meerderjarige [persoon] ;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat,
- echtscheiding;
- primair: bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarige toekomt;
subsidiair: bepaling dat de minderjarige zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 300,= per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht, interregionaal privaatrecht
4.1
De rechtbank overweegt dat, omdat de man op Curaçao woont, de beantwoording van de vragen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht op de verzoeken van toepassing is, moet gebeuren aan de hand van het interregionale privaatrecht. Het interregionaal recht is ongeschreven recht, waarop boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet rechtstreeks van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de diverse verdragen en verordeningen waaraan Nederland als verdragsluitende staat of EU-staat aan verbonden is. Curaçao behoort tot de “Landen en Gebieden Overzee” (LGO). De LGO maken geen deel uit van het grondgebied van de EU en zij vallen dus niet rechtstreeks onder het Europese recht.
4.2
Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1063) overweegt de rechtbank dat zij haar bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard moet bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij hetgeen, naar het inzicht van de wetgever, ter zake geldt op het nauw verwante terrein van het internationaal privaatrecht. In dit verband is van belang dat de rechtbank, gelegen in het tot Europa behorende deel van het Koninkrijk, mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht
(artikel 1 van Pro het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)), gehouden is om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Hieruit volgt dat zowel bij de beoordeling van de rechtsmacht als bij de beoordeling van het toepasselijk recht aangesloten dient te worden bij de dichtstbijzijnde regel van internationaal privaatrecht. Daartoe zal moeten worden nagegaan of er op het bewuste onderwerp een verdrag is gesloten of een verordening van kracht is voor het bewuste gebied binnen het Koninkrijk en of dat verdrag c.q. die verordening voor analoge toepassing in aanmerking komt.
Echtscheiding
4.3
Met verwijzing naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.2 is overwogen, zoekt de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of zij bevoegd is om van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen, aansluiting bij de Verordening (EU) Nr. 2019/1111 (hierna Brussel II-ter). Nu de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft en tenminste zes maanden in Nederland woont volgt uit artikel 3, aanhef, onder a en onder vi, Brussel II-ter dat de Nederlandse rechter in interregionale zin rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
4.4
De rechtbank zal het bepaalde in artikel 10:56, eerste lid, BW naar analogie toepassen en derhalve het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot echtscheiding.
4.5
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro dient het echtscheidingsverzoek een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten. De vrouw heeft bij haar verzoekschrift echter geen ouderschapsplan overgelegd. Zij stelt dat het niet mogelijk is gebleken om met de man overleg te voeren over de regelingen voor [minderjarige] . Door de woonafstand tussen partijen, maar vooral door de intensieve zorg en begeleiding die [minderjarige] nodig heeft, kan volgens haar ook niet van partijen worden verwacht dat zij een ouderschapsplan voor [minderjarige] maken.
4.6
De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek. De door haar aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd.
4.7
Het verzoek tot echtscheiding zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
Gezag/hoofdverblijf
4.8
Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2. zoekt de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of zij bevoegd is om van de verzoeken met betrekking tot het gezag/hoofdverblijf kennis te nemen, aansluiting bij Brussel II-ter. Artikel 7 van Pro die Verordening naar analogie toepassend, is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot deze verzoeken, omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had in Nederland.
4.9
De rechtbank zal het bepaalde in artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 naar analogie toepassen en derhalve het Nederlands recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot het gezag/ hoofdverblijf.
4.1
De vrouw legt het volgende ten grondslag aan haar (primaire) verzoek tot bepaling dat aan haar, na echtscheiding, alleen het ouderlijk gezag toekomt. Sinds september 2022 woont de vrouw met [minderjarige] in Nederland. De man is op Curaçao gebleven. In het eerste jaar was er zeer regelmatig contact tussen de man en [minderjarige] en tussen partijen. Nadat de vrouw eind 2023 aan de man heeft laten weten dat zij een echtscheidingsprocedure zou opstarten, heeft de man lange tijd niets van zich laten horen en was hij onbereikbaar. Inmiddels heeft de man weer regelmatig contact met [minderjarige] . Dit zijn echter maar hele korte, telefonische contactmomenten.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat door de afstand tussen Nederland en Curaçao, maar vooral door de intensieve (medische) zorg en begeleiding die [minderjarige] dagelijks nodig heeft, het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in stand kan blijven. De vrouw heeft altijd de volledige zorg voor [minderjarige] op zich genomen tijdens het huwelijk. Ook vanaf het moment dat zij samen met [minderjarige] in Nederland is, doet zij alles voor en met [minderjarige] alleen. De man heeft zich tijdens het huwelijk nooit betrokken getoond bij [minderjarige] en dat is nog steeds het geval. De vrouw houdt hem wel op de hoogte over het wel en wee van [minderjarige] . De man vraagt daar verder niets over; hij is niet betrokken bij de keuzes die er voor [minderjarige] gemaakt (moeten) worden. De man accepteert dan wel dat de vrouw zonder samenspraak met hem de benodigde beslissingen neemt, maar de vrouw loopt er regelmatig tegenaan dat voor sommige zaken toestemming van de man nodig is.
[minderjarige] heeft geregeld medische zorg nodig en dan kan het van belang zijn om snel te kunnen handelen. Het is de afgelopen jaren echter regelmatig voorgekomen dat de man enige tijd onbereikbaar was. De vrouw wil daarom niet afhankelijk zijn van de man voor het nemen van dit soort beslissingen en voor andere zaken waarvoor toestemming van de man vereist is.
Daarnaast is het zo dat de man, omdat hij te weinig weet heeft van wat er speelt in het leven van [minderjarige] en wat hij nodig heeft, niet in staat is om beslissingen voor [minderjarige] te maken. [minderjarige] zit op dit moment nog niet klem tussen zijn ouders, maar de vrouw vreest dat dit in de toekomst wel kan gebeuren.
Op grond van al het voorgaande stelt de vrouw dat het in het belang is van [minderjarige] als zij voortaan het ouderlijk gezag alleen uitoefent.
4.11
De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om het verzoek van de vrouw toe te wijzen. Bij [minderjarige] is sprake van de nodige problematiek en hij heeft een extra zorgbehoefte. De man heeft hier niet veel inzicht in en er is maar in beperkte mate contact. Daarnaast maakt de afstand tussen Nederland en Curaçao de communicatie lastig. Het is voor [minderjarige] van belang dat de vrouw snel beslissingen kan nemen. Gelet hierop acht de Raad het anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezag over hem alleen nog aan de vrouw toekomt.
4.12
De rechtbank overweegt als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders na de echtscheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen (artikel 1:251 lid 2 BW Pro).
Dit neemt niet weg dat zich situaties kunnen voordoen waarbij het in het belang van het kind noodzakelijk is dat maar een van de ouders na de echtscheiding het ouderlijk gezag uitoefent. Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
- er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
- als wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
4.13
De rechtbank is van oordeel dat zich een situatie voordoet waarin van het wettelijk uitgangspunt moet worden afgeweken en legt hierna uit waarom.
Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging van een kind (art. 1:247 lid 1 BW Pro), zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind te nemen (bijvoorbeeld de schoolkeuze en medische zaken). Om invulling te kunnen geven aan het gezag moet een ouder belangstelling hebben voor zijn kind, bekend zijn met zijn of haar ontwikkeling en weten wat er in de minderjarige omgaat. Vast staat dat [minderjarige] recht heeft op zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), met een indicatie zorgprofiel VG 5. [minderjarige] is bekend met een licht verstandelijke beperking, genetische afwijking, ADHD, spraak-taal problematiek en dysgrafie. [minderjarige] had en heeft gedurende de dag veel aansturing nodig. Zo wordt hij onder meer geholpen bij de persoonlijke verzorging. Verder heeft hij structurele behoefte aan zorg op planbare en niet planbare momenten. Hierdoor is het noodzakelijk dat er 24 uur per dag een zorgverlener aanwezig is om hem te verzorgen; in zijn geval is dat zijn moeder. Uit de onweersproken toelichting van de vrouw tijdens de zitting volgt verder dat de vrouw vanaf de geboorte van [minderjarige] alles rondom [minderjarige] heeft geregeld en voor haar rekening heeft genomen. De man heeft hierin nagenoeg nooit, en zeker geen grote rol gespeeld. Deze situatie is al jaren zo, duurt nog steeds voort en zal blijven voortduren. De man heeft nu alleen af en toe kort (telefonisch) contact met [minderjarige] . De vrouw informeert de man wel geregeld over [minderjarige] , maar de man neemt hierin zelf geen enkel initiatief. Feitelijk heeft de man dus tot op heden niet of nauwelijks invulling gegeven aan het ouderlijk gezag. Uit hetgeen door de vrouw onweersproken is gesteld leidt de rechtbank af dat de rol van de man in de toekomst niet anders zal zijn/worden.
Dit alles maakt ook dat de man niet in staat is, en ook niet zal zijn, om te kunnen beoordelen welke beslissingen in het belang van [minderjarige] genomen moeten worden.
Daar komt bij dat de man in de afgelopen periode regelmatig slecht bereikbaar bleek, soms ook voor langere tijd. [minderjarige] is echter, zoals hiervoor is overwogen, een kind dat extra (medische) zorg nodig heeft, waardoor het kan voorkomen dat er zonder enige vertraging direct beslissingen genomen moeten worden die van (spoedeisend) belang zijn voor [minderjarige] . Wanneer de man op zo’n moment onbereikbaar is, terwijl zijn toestemming wel nodig is, zou dit voor onveilige situaties kunnen leiden voor [minderjarige] .
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het in het anderszins in belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is belast, zodat zij alleen alle beslissingen over hem mag nemen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten daarom toe.
4.14
De wijziging van het gezag gaat in nadat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De griffier moet de gezagsbeslissing daarna in het gezagsregister aantekenen. De rechtbank verzoekt daarom de vrouw een bewijs van inschrijving van deze beschikking te sturen aan de griffie van de rechtbank.
4.15
Aangezien het primaire verzoek van de vrouw wordt toegewezen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek tot bepaling dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw.
Kinderalimentatie
4.16
Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is om van het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage kennis te nemen, wordt aansluiting gezocht bij de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008). Artikel 3 sub b van Pro die Verordening naar analogie toepassend, is de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse
rechter rechtsmacht toekomt met betrekking tot het verzoek met betrekking tot de onderhoudsbijdrage, omdat de onderhoudsgerechtigde, [minderjarige] , zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
4.17
De rechtbank zal het bepaalde in artikel 3 van Pro het Haagse Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (2007) naar analogie toepassen en derhalve het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage.
4.18
Uit de stukken en de toelichting van de vrouw tijdens de zitting blijkt dat partijen, nadat zij (feitelijk) uit elkaar zijn gegaan, in eerste instantie hadden afgesproken dat de man maandelijks € 700,= aan de vrouw zou overmaken. Een deel hiervan, € 200,=, was een bijdrage in de woonkosten van de vrouw en het andere deel van € 500,= was een bijdrage in de kosten van [minderjarige] . De man heeft deze bijdrage ook telkens betaald. Eind 2024 heeft de vrouw met de man afgesproken dat hij voortaan € 300,= per maand aan haar zou overmaken voor de kosten van [minderjarige] , omdat zij vanaf toen een (eigen) inkomen ontving in de vorm van het persoonsgebonden budget van [minderjarige] . Ook deze afspraak is de man telkens nagekomen.
Desgevraagd heeft de vrouw tijdens de zitting verder toegelicht dat aan de hoogte van dit bedrag geen berekeningen van behoefte en draagkracht ten grondslag liggen, zeker niet conform de richtlijnen in het Rapport Alimentatienormen. Partijen hebben samen becijferd waar [minderjarige] behoefte aan heeft en wat de vrouw nodig heeft om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. De vrouw wenst nu dat deze afspraak wordt geformaliseerd door vastlegging hiervan in een beschikking. De rechtbank zal het verzoek tot bepaling dat de man ten behoeve van [minderjarige] een onderhoudsbijdrage moet voldoen van € 300,= per maand als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2006 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, derhalve vanaf 30 april 2025, ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 300,= (driehonderd euro) per maand;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.