ECLI:NL:RBZWB:2026:5647

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/6302
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 2:28 APV GeertruidenbergArt. 2:28b APV Geertruidenberg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij exploitatievergunning en geluidsoverlast

In deze bestuursrechtelijke tussenuitspraak behandelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van eiser tegen de exploitatie- en alcoholwetvergunning die aan [bedrijf] is verleend door de burgemeester van Geertruidenberg. Eiser voert aan dat de burgemeester het bezwaar niet volledig heeft heroverwogen en onvoldoende rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie, waaronder de geluidsoverlast door incidentele festiviteiten.

De rechtbank stelt vast dat de burgemeester het advies van de bezwaarschriftencommissie, die een marginaal toetsingskader hanteerde, onverkort heeft overgenomen zonder een volledige heroverweging van het primaire besluit. Dit leidt tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb.

Daarnaast heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd waarom de geluidsoverlast, waaronder meldingen van eiser over incidentele festiviteiten die maximaal twaalf keer per jaar mogen plaatsvinden, niet leidt tot een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie. De rechtbank benadrukt dat deze festiviteiten onderdeel zijn van de bedrijfsvoering en dus betrokken moeten worden bij de beoordeling van de vergunning.

De rechtbank draagt de burgemeester op binnen zes weken de gebreken te herstellen met een volledige motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. Eiser en [bedrijf] krijgen vervolgens gelegenheid om op de herstelpoging te reageren. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en draagt de burgemeester op dit binnen zes weken te herstellen; de verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6302 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Koster),
en

De burgemeester van de gemeente Geertruidenberg, verweerder.

(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[bedrijf]uit [plaats] (vergunninghoudster, hierna [bedrijf] )
(gemachtigde: mr. L. Rentmeester).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over een aan [bedrijf] verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de exploitatievergunning en alcoholwetvergunning op goede gronden aan [bedrijf] heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [bedrijf] heeft een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning aangevraagd. Met de besluiten van 30 april 2025 heeft de burgemeester deze vergunningen verleend. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten, waarbij de exploitatievergunning is gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de toepasselijke wet- en regelgeving ten aanzien van het maximale geluidsniveau.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarin is besloten dat de verleende exploitatievergunning in stand kan blijven.
2.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
[bedrijf] heeft schriftelijk gereageerd op het beroep.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van [bedrijf] , vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] .

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. [bedrijf] exploiteert sinds 2012 een kookstudio aan de [adres] in [plaats] (hierna: de locatie). Op de locatie organiseert zij onder andere kookworkshops en besloten feesten.
3.1.
Per 1 januari 2023 heeft [bedrijf] haar ondernemingsvorm gewijzigd. Naar aanleiding daarvan heeft [bedrijf] op 13 maart 2025 aanvragen gedaan voor het verkrijgen van nieuwe alcoholwet- en exploitatievergunningen. Met de besluiten van 30 april 2025 heeft de burgemeester deze vergunningen verleend voor de volgende lokaliteiten en terrassen:
  • Ontvangstruimte (130 m2)
  • Terras (450 m2)
Aan de exploitatievergunning zijn (onder meer) de volgende voorschriften verbonden:
  • De sluitingstijden uit artikel 2.29 van de APV zijn niet van toepassing op de horeca-inrichting.
  • De horeca-inrichting mag geopend zijn tot uiterlijk 01:00 uur. Het terras moet vanaf 00:00 uur (tot 07.00 uur) gesloten zijn.
  • Het is toegestaan om maximaal 90 bezoekers in de inrichting aanwezig te hebben.
  • De exploitant is verantwoordelijk voor het voorkomen van verstoring van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de inrichting.
3.2.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
3.3.
Op 3 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie).
3.4.
In een advies van 22 september 2025 heeft de commissie de burgemeester geadviseerd het bezwaarschrift van eiser gegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten, onder voorwaarde dat na toetsing blijkt dat het besluit voldoet aan relevante wet- en regelgeving en het correcte maximale geluidsniveau gedurende de dagperiode in de vergunning wordt opgenomen.
3.5.
Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft de burgemeester het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Het besluit tot verlening van de exploitatievergunning is ten aanzien van de geluidsnormen gewijzigd, waardoor die vergunning volgens het college in overeenstemming is met de geldende wet- en regelgeving.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden
4. Eiser betoogt dat de bezwaarschriftencommissie ten onrechte een marginaal toetsingskader heeft toegepast. Doordat de burgemeester dit advies heeft overgenomen, heeft zij volgens eiser geen volledige heroverweging uitgevoerd.
4.1.
Eiser betoogt dat de burgemeester het door de commissie geconstateerde gebrek in de besluitvorming niet heeft hersteld met het gewijzigde besluit. De burgemeester had volgens eiser moeten ingaan op het feitelijke karakter van de omgeving, de feitelijke bedrijfsvoering van de onderneming en de spanning die dit oplevert voor het woonmilieu.
4.2.
Eiser betoogt dat de burgemeester de organisatie van incidentele festiviteiten op de locatie had moeten betrekken bij het besluit om de vergunningen te verlenen. Eiser verwijst ter ondersteuning van deze grond naar verschillende uitspraken. [1] .
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [2] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel [adres] in [plaats] waren vóór 1 januari 2024 onder andere de bestemmingsplannen “Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg” en “Buitengebied 1e herziening” van kracht. Die bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Geertruidenberg. Volgens het bestemmingsplan “Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg” geldt op de locatie de bestemming “gemengd”, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van gemengd – 2’. [3]
5.1.
Op grond van artikel 2:28, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Geertruidenberg 2023 (hierna: APV) is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.
5.2.
Artikel 2:28b, eerste lid van de APV bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:28 weigert Pro, indien de exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
5.3.
Op grond van artikel 10.1, onder b van het bestemmingsplan “Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg” is de locatie met de functie Gemengd 1, met de functieaanduiding specifieke vorm van gemengd – 2 aangewezen voor onder andere het houden van kookworkshops en het houden van besloten feesten met ondersteunende horeca.
5.4.
Artikel 2:28b, tweede lid, onder a van de APV bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:28 kan Pro weigeren als de woon- of leefsituatie in de omgeving van de inrichting op ontoelaatbaar nadelige wijze worden beïnvloed.
5.5.
Op grond van artikel 1:8, eerste lid onder a van de APV kan een vergunning in ieder geval worden geweigerd in het belang van de openbare orde.
5.6.
De burgemeester heeft bij de toepassing van de bevoegdheid om de exploitatievergunning te verlenen beleidsruimte. Voor de beoordeling of moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, heeft de burgemeester op grond van artikel 2.28b van de APV ook beoordelingsruimte. Het is daarom aan de burgemeester om de situatie te beoordelen en de betrokken belangen af te wegen. De bestuursrechter toetst of de burgemeester geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beleidsruimte en of het besluit geen onevenredige gevolgen heeft voor één of meer belanghebbenden. [4]
5.7.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Niet betwiste feiten
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de exploitatie van de horeca-inrichting door [bedrijf] op de locatie is toegestaan op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. [5]
Overwegingen rechtbank
Heeft de burgemeester het primaire besluit volledig heroverwogen?
7. Eiser betoogt dat de commissie in haar advies ten onrechte een terughoudende toets heeft uitgevoerd ten aanzien van de beoordeling of zijn woon- en leefsituatie op ontoelaatbaar nadelige wijze worden beïnvloed door het verlenen van de exploitatievergunning. Volgens eiser heeft de burgemeester, door in het bestreden besluit te verwijzen naar dit advies van de commissie, nagelaten om een volledige heroverweging uit te voeren.
7.1.
Op grond van artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet een bestuursorgaan het primaire besluit in de bezwaarfase volledig heroverwegen. In beginsel mag een bestuursorgaan ter motivering van het bestreden besluit verwijzen naar het advies van de commissie. [6] Het bestreden besluit moet uiteindelijk, al dan niet met een verwijzing naar het uitgebrachte advies van de commissie, blijk geven van een volledige heroverweging. Dat is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebeurd. Zij overweegt hiertoe als volgt.
7.2.
In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat zijn woon- en leefsituatie door het verlenen van de exploitatievergunning op ontoelaatbaar nadelige wijze worden beïnvloed, met name als gevolg van de incidentele festiviteiten. De commissie heeft in haar advies, gelet op de discretionaire ruimte van de burgemeester, slechts overwogen dat de burgemeester op basis van de haar bekende klachten en meldingen in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de woon- en leefsituatie van eiser niet op dusdanig nadelige wijze worden beïnvloed dat de exploitatievergunning had moeten worden geweigerd of het aantal incidentele festiviteiten had moeten worden beperkt. De burgemeester heeft het advies van de commissie onverkort overgenomen. Daarmee heeft naar het oordeel van de rechtbank geen volledige heroverweging plaatsgevonden. De commissie heeft een terughoudende toets uitgevoerd bij de beoordeling van de effecten op de woon- en leefsituatie. Gelet op de wettelijke verplichting om het primaire besluit volledig te heroverwegen in bezwaar, lag het op de weg van de burgemeester om in het bestreden besluit alsnog volledig op alle bezwaren van eiser in te gaan. Dat heeft de burgemeester niet gedaan. Het bestreden besluit kent op dit punt een gebrek.
Heeft de burgemeester de incidentele festiviteiten voldoende betrokken?
8. Eiser betoogt dat de burgemeester de incidentele festiviteiten onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding op de zijn woon- en leefsituatie. Tijdens deze festiviteiten, die op grond van de APV maximaal twaalf keer per jaar op de locatie mogen worden georganiseerd, gelden volgens artikel 4:3, eerste lid, van de APV, slechts beperkte geluidsnormen.
8.1.
De burgemeester stelt dat er geen aanwijzingen zijn dat de woon- en leefsituatie van eiser op ontoelaatbaar nadelige wijze worden beïnvloed. Daarnaast betoogt de burgemeester dat de incidentele festiviteiten die op grond van de APV zijn toegestaan, geen onderdeel zijn van het toetsingskader dat van toepassing is bij het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning.
8.2.
Bij de beoordeling of een exploitatievergunning kan worden verleend, moet de burgemeester gelet op artikel 2:28b, tweede lid van de APV overwegen of het verlenen van de vergunning leidt tot een ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie van de omgeving. Eventuele geluidsoverlast vanuit de horeca-inrichting moet bij deze beoordeling worden betrokken. Geluid is immers een aspect dat (nadelig) invloed kan hebben op de woon- en leefsituatie van de omgeving. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Ter zitting is gebleken dat eiser meerdere meldingen van geluidsoverlast heeft gedaan en dat de burgemeester van deze meldingen op de hoogte is. De burgemeester had deze meldingen moeten betrekken in de besluitvorming. Dat de burgemeester deze meldingen onvoldoende concreet of bruikbaar vindt, maakt dat niet anders. De burgemeester heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd dat in het dit geval geen sprake is van een ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van de woon- en leefsituatie van eiser.
8.3.
Ook het standpunt van de burgemeester dat de incidentele festiviteiten geen onderdeel uitmaken van de beoordeling of een exploitatievergunning kan worden verleend, volgt de rechtbank niet. Uit de verleende exploitatievergunning blijkt dat de mogelijkheid bestaat om een melding te doen voor een incidentele festiviteit en dat daarvoor een maximaal aantal geldt. Daaruit volgt dat ook de burgemeester van mening is dat er een koppeling is tussen de exploitatievergunning en het houden van incidentele festiviteiten. Ter zitting is namens [bedrijf] betoogd dat onderdeel van de bedrijfsvoering incidentele festiviteiten zijn in de vorm van besloten feesten. Deze besloten feesten worden maximaal twaalf keer per jaar gehouden en voor die feesten wordt een melding incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:3 van Pro de APV gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gevolgen van een te houden incidentele festiviteit, nu zij onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van [bedrijf] , dan ook betrokken te worden in de beoordeling of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Gelet op de door eiser gestelde geluidsoverlast als gevolg van de incidentele festiviteiten, had de burgemeester naar het oordeel van de rechtbank dan ook uitdrukkelijk moeten beoordelen of er bijvoorbeeld een aanleiding bestond om het aantal toegestane incidentele festiviteiten op de locatie te beperken of geheel te verbieden. Die afweging ontbreekt. Het bestreden besluit berust daarom ook op dit punt niet op een draagkrachtige motivering.

Bestuurlijke lus

9. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en artikel 7:11 van Pro de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak.
9.1.
De rechtbank ziet aanleiding om de burgemeester in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met de intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de burgemeester de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.2.
De burgemeester moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na datum van verzending van deze uitspraak, mededelen aan de rechtbank of zij gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de burgemeester gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser en [bedrijf] in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van de burgemeester.
9.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt de burgemeester op binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of zij gebruikmaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
  • stelt de burgemeester in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
  • stelt eiser en [bedrijf] in de gelegenheid om binnen zes weken op die herstelpoging van de burgemeester te reageren;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze tussenuitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
(…)
APV Geertruidenberg
Artikel 1:8
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. De openbare orde;
b. (…)
(…)

Artikel 2:28

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
(…)
Artikel 2:28b
De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan Pro de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als
a. De woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
b. (…)
(…)
Artikel 4:3
Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van Pro deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvraag van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
(…)
Bestemmingsplan “Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg”
Artikel 10.1
De voor ‘Gemengd-1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Wonen;
b. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van gemengd-2’:
1) Het houden van kookworkshops, kookdemonstraties, live cooking en proeverijen;
2) (…)
3) (…)
4) Besloten feesten en partijen met ondersteunende horeca;
5) (…)
Bestemmingsplan “Buitengebied, 1e herziening”
Artikel 11.1.2
a. Staat van gemengde bedrijven
Op de gronden met deze bestemming zijn overeenkomstig de aanduidingen uitsluitend toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgde Staat van gemengde bedrijven:
(…)
Specifieke vorm van gemengde-2
- kookworkshops, kookdemonstraties, live cooking en proeverijen; [straat]
- (…)
Omgevingsplan gemeente Geertruidenberg
Artikel 2.54
Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
(…)
Artikel 2.60
1. In de volgende gevallen wordt er een geluidsonderzoek verricht:
(…)
i. als het op basis van de aard van een activiteit aannemelijk is dat:
(…)
2. In de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.
(…)
Artikel 2.63
Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waar, bedoeld in tabel 22.3.1.
(…)
Artikel 2.73
1. De waarden, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
a. Festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en
b. Andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.
(…)
Horecanota Gemeente Geertruidenberg 2006
Punt 2.2.1 Exploitatievergunning
Uitgangspunt voor horeca-activiteiten is dat deze op een veilige manier plaatsvinden en dat de hinder in en rondom horecabedrijven beperkt wordt tot een aanvaardbaar niveau.
Ter bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving nabij een horecabedrijf, is op basis van artikel 2.3.1.2 van de (APV) bepaald dat ieder horecabedrijf moet beschikken over een exploitatievergunning. Het scheppen van bepaalde randvoorwaarden moet voorkomen dat zich problemen voordoen op het gebied van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester neemt deze randvoorwaarden in de exploitatievergunning op in de vorm van voorschriften. Deze voorschriften bewaken de leefbaarheid in de woonomgeving.
(…)
Toetsingscriteria APV
In de APV zijn de criteria vastgelegd, waaraan een aanvraag om een exploitatievergunning getoetst moet worden:
1. Een exploitatievergunning
moetworden geweigerd, als de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
2. Een exploitatievergunning
kangeheel of gedeeltelijk worden geweigerd, als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat door de aanwezigheid van het horecabedrijf de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Bij de toepassing van de 2e weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot komt te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

Woon- en leefomgeving en openbare orde (leefbaarheid)

Staat een bestemmingsplan de vestiging van een horecabedrijf toe, dan moet worden afgewogen of de in de tweede weigeringsgrond genoemde belangen zich niet verzetten tegen de komst van het horecabedrijf. Meestal kunnen de eventueel nadelige gevolgen voor de omgeving worden voorkomen of beperkt door het opnemen van voorschriften in een exploitatievergunning. Welke randvoorwaarden worden gesteld, is afhankelijk van het type bedrijf dat zich wil vestigen, maar ook van de wijze van exploitatie door de ondernemer.
Beleid
Bij de beoordeling van een aanvraag om een exploitatievergunning worden de hierna weergegeven uitgangspunten in acht genomen.
(…)
- Sluitingstijden
Hoewel het vanuit juridisch oogpunt mogelijk is, worden in de exploitatievergunningen in principe geen sluitingstijden opgenomen. Het vermelden van een voorschrift over sluitingstijden in een exploitatievergunning is niet nodig omdat de sluitingstijden voor horecabedrijven en paracommerciële inrichtingen rechtstreeks uit de APV volgen.
(…)
- Geluid
In de exploitatievergunning worden geen geluidsvoorschriften opgenomen, bijvoorbeeld over muziekgeluid vanuit de inrichting, omdat de milieuvoorschriften als middel beter zijn toegerust om dit te regelen. Voor de bedrijven, die over een milieuvergunning moeten beschikken, bevat de milieuvergunning geluidsvoorschriften. Deze voorschriften worden geschreven aan de hand van de situatie, waarbij de omgeving een rol speelt. Voorzover bedrijven liggen in of nabij een kwetsbare omgeving, wordt bij dit gegeven bij de vergunningverlening rekening gehouden. Voor de meldingsplichtige horecabedrijven staan de geluidsnormen vermeld in het Besluit Horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Er kunnen voorschriften in de vorm van nadere eisen worden opgenomen. Hieraan bestaat behoefte als bijvoorbeeld een bedrijf in een kwetsbare omgeving ligt.
Het tegengaan van overlast door bezoekers, waarbij vaak ook sprake is van geluidshinder door stemgeluid, wordt wel in de exploitatievergunning geregeld. Deze overlast moet worden voorkomen door tegen te gaan dat bezoekers tijdens openingstijden of na sluitingstijd in de omgeving van het horecabedrijf (ver)blijven.
- Afbouwregeling
In de exploitatievergunning wordt een verplichting opgenomen tot het naleven van een afbouwregeling (cooling down). Doel hiervan is ervoor te zorgen dat het publiek geleidelijk vertrekt.
(…)

Voetnoten

1.Rb. Midden-Nederland 19 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5122 en Rb Den Haag 11 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8688.
2.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Artikel 10.1 Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2109 en ABRvS 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3019.
5.Artikel 11.1.2, onder a, van bestemmingsplan Buitengebied 1e herziening; artikel 10.1, onder b, van bestemmingsplan Periodieke planherziening 2018 Geertruidenberg.
6.Artikel 3:49 van Pro de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:14 van Pro de Awb.