ECLI:NL:RBZWB:2026:5648

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
25/4054
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4:84 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 2.25 BblArt. 2.27 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek bij afwijzing omgevingsvergunning dakkapel

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ter legalisatie van een dakkapel aan de achterzijde van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal heeft deze aanvraag afgewezen omdat de dakkapel niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, met name vanwege een te kleine afstand tussen de bovenzijde van de dakkapel en de daknok.

De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) adviseerde negatief, en het college handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser betoogde dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de Welstandsnota van toepassing is, dat de berekening van de afstand onduidelijk is, en dat op grond van artikel 4:84 Awb Pro het college had moeten afwijken van het beleid vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de beperkte zichtbaarheid en de onevenredige kosten van verwijdering.

De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen dakkapel en daknok met 66 millimeter wordt overschreden, maar dat de dakkapel niet zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. De rechtbank oordeelt dat de CRK onvoldoende heeft toegelicht waarom deze omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn die afwijking rechtvaardigen. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek in het besluit. Het college krijgt de gelegenheid dit gebrek te herstellen met een nadere motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar.

De rechtbank wijst erop dat de vrees voor precedentwerking terecht niet nader hoeft te worden onderbouwd. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het college het motiveringsgebrek heeft hersteld en de rechtbank hierover heeft kunnen oordelen.

Uitkomst: De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het besluit tot afwijzing van de omgevingsvergunning en geeft het college gelegenheid dit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4054 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

Samenvatting

1. Deze tussenuitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning ter legalisatie van een dakkapel. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een reeds gebouwde dakkapel afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college, onder aanvulling van de motivering, bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigden van het college.
2.4.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 9 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een dakkapel aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het adres). Deze aanvraag heeft betrekking op de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in de zin van artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
3.1.
De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) heeft in haar advies van 13 januari 2025 vastgesteld dat de aanvraag niet voldoet aan de redelijke eisen van omgevingskwaliteit, omdat de afstand tussen de bovenzijde van het boeiboord en de nok van het dak te klein is.
3.2.
Bij brief van 16 januari 2025 heeft het college zijn voornemen tot het weigeren van de omgevingsvergunning kenbaar gemaakt aan eiser. In deze brief heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te brengen. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt op 22 januari 2025.
3.3.
Met het besluit van 5 februari 2025 heeft het college de aanvraag geweigerd, omdat de aanvraag in strijd is met de redelijke eisen van welstand.
3.4.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.5.
Op 2 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie voor de bezwaarschriften, die op 12 juni 2025 een advies heeft uitgebracht.
3.6.
Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

Beroepsgronden

4. Eiser betoogt dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de Welstandsnota in zijn geval van toepassing is, omdat de dakkapel vanuit de openbare ruimte niet zichtbaar is. Bovendien heeft het college volgens eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de afstand van de bovenzijde van de dakkapel tot de daknok is berekend. Daarnaast meent eiser dat het college op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had moeten afwijken van de Welstandsnota, omdat de afwijking beperkt is en de kosten voor eiser als gevolg van het verwijderen van de dakkapel onevenredig zijn. De stelling van het college dat afwijken van het beleid zou leiden tot een ongewenste precedentwerking, vindt eiser onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Juridisch kader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Roosendaal (hierna: omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Naast de voorheen vastgestelde bestemmingsplannen wordt dit tijdelijk deel onder andere gevormd door omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat). De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
5.1.
Op het betreffende perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied Roosendaal Nispen” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal. Volgens dit bestemmingsplan gelden op het perceel de bestemmingen “Waarde – Archeologie”, “Wonen” en “Kantoor”.
5.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Vergunningplicht
Technische bouwactiviteit
6. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Voor het bouwen van een bouwwerk met dak geldt op grond van artikel 2.25 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) in beginsel een vergunningplicht. Voor de bouw van een dakkapel is in het Bbl echter een uitzondering gemaakt. Ten aanzien van de (technische) bouwactiviteit is daarom gelet op artikel 2.27, tweede lid, aanhef en onder a geen omgevingsvergunning vereist.
Omgevingsplanactiviteit
6.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak is geen omgevingsvergunning vereist, mits het bouwplan voldoet aan een aantal in artikel 2.29, onder b, van het Bbl genoemde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden heeft betrekking op de afstand tussen de bovenzijde van de dakkapel en de daknok. Om een dakkapel te mogen bouwen zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, moet deze afstand gelet op artikel 2.29, onder b onder 4, van het Bbl ten minste 0,50 meter zijn. Ter zitting is op basis van de door eiser aangeleverde bouwtekeningen vastgesteld hoe de afstand van de bovenzijde van de dakkapel tot de daknok is berekend. Niet meer in geschil is dat deze afstand kleiner is dan 0,50 meter. Voor het legaliseren van de dakkapel is daarom een omgevingsvergunning voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit vereist.
Welstandsbeleid
Strijd met de redelijke eisen van welstand
7. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning, voor zover relevant voor de aangevraagde dakkapel, alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels van het omgevingsplan en de redelijke eisen van welstand. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag voldoet aan de regels van het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan. [1] Tussen partijen is wel in geschil of de aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
7.1.
Het college heeft de aanvraag van eiser ter advisering voorgelegd aan de CRK. De CRK heeft het bouwplan van eiser getoetst aan de welstandscriteria die van toepassing zijn op het perceel van eiser. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. [2]
7.2.
De welstandscriteria zijn neergelegd in de Welstandsnota Roosendaal 2013 (hierna: Welstandsnota). Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel van eiser zich in het deelgebied “Buitengebied” bevindt en dat hier het welstandsniveau “gewoon welstandsgebied” geldt. Volgens het advies van de CRK is het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand, omdat het niet voorziet in een dakvlak van ten minste 0,50 meter rondom de dakkapel. Dit volgt ook uit de criteria voor dakkapellen die zijn opgenomen in de Welstandsnota. Dakkappelen die in soepel welstandsgebied worden gerealiseerd moeten voldoen aan een aantal basiscriteria. Deze basiscriteria worden genoemd op pagina 13 van de Welstandsnota. Een van de criteria is dat een dakvlak van minstens 0,50 meter rondom de dakkapel moet worden gerealiseerd. Ter zitting is op basis van de door eiser aangeleverde bouwtekeningen met partijen vastgesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de vereiste 0,50 meter. De dakkapel voldoet dus niet aan de vereisten die in de Welstandsnota zijn genoemd.
Bijzondere omstandigheden
8. Op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb moet het college handelen overeenkomstig zijn beleidsregels, tenzij dit handelen leidt tot onevenredigheid. Het uitgangspunt is dus dat het college vasthoudt aan de maatvoering zoals die is opgenomen in de Welstandsnota. Het bestuursorgaan moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval nagaan of zich bijzondere omstandigheden voordoen in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [3]
8.1.
Het college voert aan dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de Welstandsnota. De afwijking op de voorgeschreven afstand in de Welstandsnota is volgens het college niet aan te merken als geringe afwijking. Ook de nadelige financiële gevolgen voor eiser zijn volgens het college geen reden om af te wijken van het welstandsbeleid. Daarnaast voert het college aan dat afwijken van het beleid leidt tot een ongewenste precedentwerking.
8.2.
De rechtbank constateert dat de minimale afstand van 0,50 meter tussen de bovenzijde van de dakkapel en de daknok zoals vastgelegd in de Welstandsnota met 66 millimeter wordt overschreden. Met het welstandsbeleid ten aanzien van de bouw van dakkapellen wordt, op grond van de Welstandsnota, het behoud van uniformiteit in het dakvlak nagestreefd. Het college erkent dat de dakkapel vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar is, omdat deze aan de achterzijde van de woning is gebouwd. In de Welstandsnota is op pagina 5 opgenomen dat bouwwerken in het zicht belangrijker zijn voor het algemeen belang van welstandsbeleid dan bouwwerken die aan het zicht zijn onttrokken. Tegenover deze minimale overschrijding die bovendien aan het zicht is onttrokken, staat dat het verwijderen van de dakkapel grote financiële gevolgen met zich meebrengt voor eiser. Ter zitting is besproken of het ophogen van het dak van eiser een oplossing kan bieden. Vanwege de hoge kosten van het ophogen behoort dit echter op dit moment niet tot de mogelijkheden voor eiser.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CRK in haar advies onvoldoende toegelicht waarom deze specifieke omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn op basis waarvan het college had moeten afwijken van het welstandsbeleid. Gelet hierop vertoont het advies een zodanig gebrek dat het college dit niet – of niet zonder nadere motivering – aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het college dient, eventueel met inachtneming van een nieuw advies van de CRK, nader te motiveren of de in rechtsoverweging 8.2 genoemde omstandigheden in deze specifieke situatie als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt en of die bijzondere omstandigheden, na een afweging van alle betrokken belangen [4] , aanleiding geven om af te wijken van het welstandsbeleid.
8.4.
Daarbij merkt de rechtbank op dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het de vrees voor precedentwerking niet nader heeft hoeven onderbouwen. Op dat punt is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake van een gebrek in het bestreden besluit.

Bestuurlijke lus

9. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het college in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank daarom een tussenuitspraak.
9.1.
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen voormeld motiveringsgebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering, of, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met de intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
9.2.
Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na datum van verzending van deze uitspraak, mededelen aan de rechtbank of het gebruikmaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruikmaakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van het college.
9.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruikmaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken op die herstelpoging van het college te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
(…)
De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Omgevingswet
Artikel 5.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. Een omgevingsplanactiviteit.
b. (…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. Een bouwactiviteit
b. (…)
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.25
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:
niet op de grond staat;
hoger is dan 5 m;
bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger;
is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
als gevolg van de bouwactiviteit en hoofdgebouw wordt; of
een bouwwerk is waaroverheen een weg, spoorweg of waterweg loopt.
Artikel 2.27
(…)
In afwijking van de artikelen 2.25 en 2.26 en ongeacht of een uitzondering als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten ook niet voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
a. een dakkapel;
b. (…)
Artikel 2.29
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
(…)
Een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1°. voorzien van een plat dak;
2°. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
3°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
4°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
5°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;
(…)
Omgevingsplan gemeente Roosendaal
Artikel 22.29
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
c. (…)
(…)
Welstandsnota Roosendaal 2013
Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap van een gebouw. Dakkapellen kunnen bepalend zijn voor het straatbeeld. Dakkapellen moeten een ondergeschikte toevoeging zijn aan een dakvlak. (…)

Beoordeling

Een dakkapel voldoet aan redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande criteria wordt voldaan, waarbij kleine afwijkingen denkbaar zijn om herhalingsplannen mogelijk te maken. Voldoet het plan hier niet aan of is er twijfel aan de toepasbaarheid daarvan zoals bij monumenten en ander erfgoed, dan wordt bij de beoordeling ook gebruik gemaakt van gebiedscriteria en eventuele andere criteria.

Basiscriteria

Dakkapellen in soepel welstandsgebied worden beoordeeld aan de hand van onderstaande criteria:
- (…)
- minstens 0,50 m dakvlak rondom de dakkapel
- (…)

Aanvullende criteria

(…)

Voetnoten

1.Artikel 22.29, eerste lid, onder a en b, van het omgevingsplan.
2.Zie bijvoorbeeld Afdeling 14 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1470 (r.o. 7.2).
3.Zie bijvoorbeeld Afdeling 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1968 (r.o. 6.1).
4.Zoals bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.