ECLI:NL:RBZWB:2026:5681

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
C/02/432828 / FA RK 25-1223
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:31 BWArt. 10:30 BWArt. 3 Brussel II-terArt. 10:56 BWArt. 4 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen erkenning van religieus huwelijk uit Sri Lanka en afwijzing echtscheidingsverzoek

Partijen hebben een religieus huwelijk gesloten in Sri Lanka in 1997, maar dit huwelijk is niet geregistreerd volgens de Sri Lankaanse wetgeving, waardoor het niet rechtsgeldig is. Bij aankomst in Nederland werd per abuis in de burgerlijke stand opgenomen dat zij gehuwd waren. Partijen vroegen aanvankelijk om een verklaring dat er nooit een erkend huwelijk was, vervolgens om echtscheiding en opname van een ouderschapsplan, en uiteindelijk primair om echtscheiding van het in Sri Lanka gesloten huwelijk.

De rechtbank beoordeelde haar bevoegdheid en het toepasselijke recht en concludeerde dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechter bevoegd is. Volgens artikel 10:31 BW Pro wordt een buitenlands huwelijk alleen erkend als het rechtsgeldig is volgens het recht van het land van huwelijksvoltrekking. Omdat het religieuze huwelijk niet geregistreerd is in Sri Lanka, wordt het niet erkend.

Partijen stelden dat zij gehuwd waren en overlegden een verklaring onder ede (VOE) waarin zij dit bevestigen, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet voldoende is om een niet-erkend huwelijk alsnog te erkennen. De affectieve relatie, het ontbreken van een schijnhuwelijk en het hebben van kinderen veranderen hier niets aan.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot echtscheiding af en verklaart zij voor recht dat er geen rechtsgeldig huwelijk bestaat tussen partijen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding af en verklaart dat er geen rechtsgeldig huwelijk bestaat tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/432828 / FA RK 25-1223
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[persoon] h.o.d.n. [de bewindvoerder],
hierna te noemen de bewindvoerder,
gevestigd in [woonplaats 1] ,
in de rol van bewindvoerder over de onder bewind gestelde goederen van:
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal,
en
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans uit Roosendaal.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van partijen, ontvangen op 11 maart 2025;
- het bericht van mr. Heesmans met bijlagen van 3 juni 2025;
  • F9-formulier met bijlagen van mr. Heesmans van 15 juli 2025;
  • F9-formulier van mr. Heesmans van 9 januari 2026.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 februari 2026. Op deze zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat en een tolk Tamil.
1.3.
Nadien heeft de rechtbank kennis genomen van het navolgende stuk:
- F9-formulier met bijlagen van mr. Heesmans van 3 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
Volgens het BRP hebben partijen een onbekende nationaliteit. Zij stellen dat zij de Sri Lankaanse nationaliteit hebben.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] .

3.Het verzoek

3.1.
Partijen hebben bij verzoekschrift verzocht voor recht te verklaren dat er tussen hen nimmer een door Nederland erkend huwelijk is gesloten. Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij een affectieve relatie hebben gehad, maar nooit officieel zijn gehuwd. Per abuis is in de burgerlijke stand ‘gehuwd’ opgenomen toen partijen in april 1999 als asielzoekers aankwamen in Nederland. Subsidiair hebben partijen verzocht de echtscheiding uit te spreken en het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking.
3.2.
Bij brief van 3 juni 2025 hebben partijen hun verzoek gewijzigd. Partijen verzoeken de echtscheiding uit te spreken en het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking.
3.3.
Bij brief van 3 maart 2026 hebben partijen hun verzoek opnieuw gewijzigd. Partijen verzoeken thans primair de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 1997 te [plaats] , Sri Lanka, uit te spreken en het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking ter verkrijging van een executoriale titel. Subsidiair verzoeken zij te verklaren voor recht dat er geen sprake is van een tussen partijen rechtsgeldig tot stand gekomen huwelijk.

4.De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
4.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter. Dat betekent dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft (bevoegd is) om van het echtscheidingsverzoek en het verzoek met betrekking tot het ouderschapsplan kennis te nemen en, wanneer dat zo is, welk recht op de verzoeken van toepassing is. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en Nederlands recht is van toepassing. [1]
Is er sprake van een in Nederland voor erkenning in aanmerking komend huwelijk?
4.2.
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW Pro erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste Pro lid BW). Op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW Pro wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit.
4.3.
Uit de overgelegde stukken en de toelichting door partijen op de zitting volgt dat partijen op [datum] 1997 in Sri Lanka in een tempel in aanwezigheid van familieleden en onder leiding van een Hindoe priester een religieus huwelijk hebben gesloten. Dit religieuze huwelijk is niet in Sri Lanka geregistreerd; een huwelijksakte is niet opgesteld.
4.4.
De rechtbank leidt uit de beschikbare landeninformatie af dat in Sri Lanka een religieus huwelijk geregistreerd moet worden in de daartoe bestemde registers om als rechtsgeldig te kunnen worden aangemerkt. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, vaststaat dat dit niet is geschied, is het (religieuze) huwelijk tussen partijen niet gesloten volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond (Sri Lanka), hetgeen overigens ook door partijen wordt erkend. Dit brengt mee dat tot uitgangspunt strekt dat dit huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend als in artikel 10:31 BW Pro bedoeld.
4.5.
Hoewel op zichzelf door partijen wordt erkend dat geen rechtsgeldig huwelijk is gesloten in Sri Lanka hebben zij niettemin verzocht, primair, de echtscheiding uit te spreken. Partijen hebben een verklaring onder ede (VOE) van 11 november 2002 overgelegd waarin zij hebben verklaard gehuwd te zijn. Partijen hebben verzocht de VOE “niet ter zijde te schuiven” en te bepalen, zo begrijpt de rechtbank, dat gelet op de VOE (toch) sprake is van een huwelijk dat voor ontbinding door echtscheiding in aanmerking komt. Partijen hebben daartoe verder aangevoerd dat zij aanvankelijk in de verhoren bij de IND ook hebben opgemerkt gehuwd te zijn. Partijen hebben zich in dit verband beroepen op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 december 2022 en een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 maart 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2022:12085 en ECLI:NL:GHDHA: 2020:2411).
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van partijen op genoemde uitspraken hen niet kan baten. In bedoelde uitspraken is, samengevat, geoordeeld dat het rechtsfeit van een (gesteld) rechtsgeldig gesloten huwelijk in het buitenland ook kan worden afgeleid uit een VOE. In de onderhavige situatie staat, zo volgt uit het vorengaande, evenwel vast dat juist geen sprake is van een (gesteld) rechtsgeldig huwelijk in het buitenland dat voor erkenning in aanmerking komt, hetgeen, zoals eveneens overwogen, ook door partijen wordt erkend. Naar het oordeel van de rechtbank kan tegen deze achtergrond niet uitsluitend op basis van een VOE worden aangenomen dat (toch) een in Nederland als rechtsgeldig aan te merken huwelijk tot stand is gekomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de rechtsgeldigheid van een huwelijk niet ter vrije bepaling van partijen staat, terwijl op grond van het bepaalde in artikel 10:30 BW Pro, voor zover hier relevant, een huwelijk in Nederland wat de vorm betreft slechts kan worden voltrokken ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand met inachtneming van het Nederlandse recht. Dat, zoals partijen hebben aangevoerd, er sprake is geweest van een affectieve relatie, het religieuze huwelijk niet kan worden aangemerkt als een schijnhuwelijk en dat partijen kinderen hebben, maakt dit niet anders.
4.7.
Nu er geen sprake is van een (voor erkenning in aanmerking komend) huwelijk tussen partijen, kan de rechtbank de echtscheiding tussen partijen niet uitspreken. Dit brengt mee dat het primaire verzoek van partijen dient te worden afgewezen.
4.8.
De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van partijen toewijzen en voor recht verklaren dat er geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.9.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat er tussen partijen geen sprake is van een rechtsgeldig tot stand gekomen huwelijk;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier op 28 mei 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Voetnoten

1.Echtscheiding: art. 3 Brussel Pro II-ter en art. 10:56 BW Pro.