ECLI:NL:RBZWB:2026:5693

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
445298
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ambtshalve wijziging gezag en verblijfplaats minderjarige zonder wettelijke grondslag

Een minderjarige heeft via de informele rechtsingang de rechtbank verzocht om wijziging van zijn verblijfplaats en het ouderlijk gezag, waarbij hij wenst bij zijn grootouders te wonen en dat zij zijn voogden worden. De moeder oefent momenteel het gezag uit en de vader is overleden. De minderjarige geeft aan zich onveilig te voelen bij zijn moeder en diens nieuwe partner, en heeft al lange tijd geen contact met zijn moeder.

De moeder is niet verschenen op de zitting maar heeft per e-mail haar standpunt kenbaar gemaakt, waarin zij het verzoek afwijst en benadrukt dat het verblijf in de huidige accommodatie en therapie in haar belang zijn. De grootouders erkennen het conflict met de moeder maar ondersteunen het verzoek van de minderjarige om bij hen te wonen.

De Raad voor de Kinderbescherming waardeert de openheid van de minderjarige en ziet grote zorgen over zijn situatie. De rechtbank overweegt dat de informele rechtsingang slechts in specifieke wettelijke gevallen kan worden gebruikt, welke hier niet van toepassing zijn. Daarom kan de rechter geen ambtshalve beslissing nemen.

De rechtbank beëindigt de procedure en wijst erop dat de Raad een ambtshalve onderzoek zal starten om de situatie nader te beoordelen en eventueel een verzoek tot kinderbeschermingsmaatregel in te dienen. De minderjarige ontvangt een brief met uitleg over de beslissing en de vervolgstappen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de minderjarige af wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor ambtshalve wijziging van gezag en verblijfplaats.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/445298 / FA RK 26-943
beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
wonende te [plaats 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de opa vaderszijde] ,
hierna te noemen: de opa vaderszijde (hierna te noemen: de grootouder),
wonende te [plaats 2] ,
en
[de oma vaderszijde],
hierna te noemen: de oma vaderszijde (hierna te noemen: de grootouder),
wonende te [plaats 2] .
De Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de procedure.

1.Het verloop van het geding

1.1.
Dit blijkt uit het volgende stuk:
- de brief d.d. 20 februari 2026 van [minderjarige] , ingekomen bij de griffie op 20 februari 2026;
- het e-mailbericht van de moeder van 22 april 2026.
1.2.
[minderjarige] heeft met zijn brief een verzoek bij de rechtbank ingediend via de zogenaamde ‘Informele rechtsingang’. In de brief vraagt [minderjarige] aan de kinderrechter om zijn verblijfplaats en het ouderlijk gezag te wijzigen.
1.3.
Op 3 april 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken. Tevens was hierbij aanwezig mevrouw [persoon 1] , vertrouwenspersoon bij [jeugdzorg] , ter ondersteuning van [minderjarige] .
1.4.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de moeder, de grootouders en de Raad uitgenodigd voor een zitting op 24 april 2026. Hierbij zijn verschenen:
- de opa;
- de oma;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.5.
De moeder is naar behoren opgeroepen, maar niet verschenen. Zij heeft ervoor gekozen een e-mail naar de rechtbank te sturen om haar standpunt over het verzoek kenbaar te maken.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) zijn met elkaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren. Op [datum] 2013 is de echtscheiding van het huwelijk ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
2.2.
De moeder is op 5 februari 2019 getrouwd met de heer [de stiefvader] (hierna te noemen: de stiefvader).
2.3.
De vader is op 12 maart 2019 overleden.
2.4.
De moeder oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.
2.5.
[minderjarige] verblijft bij [accommodatie] te [plaats 1] .

3.De beoordeling

3.1.
[minderjarige] heeft zich tot de rechtbank gewend via de zogenaamde ‘Informele rechtsingang’. Dat betekent dat [minderjarige] de rechtbank vraagt om van haar ambtshalve bevoegdheid gebruik te maken om zijn verblijfplaats en het gezag te wijzigen. Ambtshalve betekent dat er geen officieel formeel verzoek is gedaan. [minderjarige] kan zo’n officieel verzoek ook niet zelfstandig indienen. Hij heeft als minderjarige namelijk geen formele eigen rechtsingang.
3.2.
[minderjarige] heeft in zijn brief en in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij niet meer wil dat zijn moeder het gezag over hem uitoefent. Het liefst wil hij dat zijn grootouders zijn voogden worden en dat hij bij hen kan wonen. Hij heeft al ruim elf maanden geen contact meer met zijn moeder gehad. [minderjarige] vindt het daarom moeilijk dat zijn moeder toestemming moet geven en/of zijn handtekening moet zetten voor belangrijke beslissingen die zijn leven betreffen. Door bepaalde keuzes van de moeder voelt [minderjarige] zich ongelukkig en zit hij klem. Ook ontvangt de moeder de kinderbijslag en kindgebondenbudget, die zij niet uitgeeft aan [minderjarige] , en dus moet hij werken voor zijn eigen geld. Daarnaast wil [minderjarige] niet meer bij zijn moeder wonen, zolang de nieuwe partner van zijn moeder, [de stiefvader] , ook bij de moeder woont. Vanaf zijn 11e wordt hij al fysiek en mentaal mishandeld door [de stiefvader] , terwijl zijn moeder daar niets tegen doet. [minderjarige] voelde zich bij de moeder thuis niet veilig en wilde het liefst niet op hetzelfde moment als [de stiefvader] thuis zijn. Ook in het jeugdhuis voelt [minderjarige] zich niet thuis; er wonen daar voornamelijk jongeren met GGZ-problematiek of gedragsproblematiek. Hij heeft dan ook geen aansluiting met zijn medebewoners. Het liefst wil [minderjarige] bij zijn grootouders wonen. Hij voelt zich daar geliefd en op zijn gemak.
3.3.
De moeder heeft in haar email kort samengevat aangegeven dat zij niet op de zitting aanwezig kan zijn in verband met de aanwezigheid van de grootouders (vaderszijde). Er is vroeger, maar ook nu nog, veel gebeurd tussen de grootouders en de moeder, waardoor een confrontatie haar herstel niet ten goede zal komen. Verder heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige] en zijn broer, [persoon 2] , al sinds het overlijden van de vader om het weekend bij hun opa en oma verblijven. Opa en oma accepteren de regels van de moeder niet en volgen in de opvoeding hun eigen lijn. Daarbij komt dat de moeder door hen in een negatief daglicht wordt geplaatst richting de kinderen. Dit lijkt ertoe te leiden dat de kinderen zich tegen haar keren en haar gezag minder erkennen, wat samenhangt met een verslechtering in het gedrag van [minderjarige] . Tot op de dag van vandaag heeft [minderjarige] geen moeite gedaan om het contact met de moeder te herstellen, terwijl de moeder al meerdere pogingen heeft gedaan om weer in contact te komen met [minderjarige] . De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat hij in het jeugdhuis blijft wonen en daar aan zijn therapie gaat werken, zodat moeder weer contact en een band kan krijgen met [minderjarige] . De moeder vindt de wens van [minderjarige] om bij zijn grootouders te wonen niet in zijn belang. Er is geen sprake van een veilige omgeving en hierdoor zal ook geen contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder tot stand komen. Daarnaast acht de moeder de grootouders niet in staat om beslissingen die in het belang van [minderjarige] zijn te nemen.
3.4.
De grootouders hebben tijdens de zitting naar voren gebracht dat het klopt dat zij momenteel geen goede band hebben met de moeder van [minderjarige] . Er is tussen hen veel gebeurd en inmiddels is het vertrouwen in elkaar verloren gegaan. De grootouders begrijpen dat dat dit zeer lastig is voor [minderjarige] ; hij staat tussen de moeder en grootouders in, ondanks dat de grootouders niet negatief over de moeder praten in het bijzijn van [minderjarige] . Grootouders begrijpen ook dat een kind in de eerste plaats bij zijn moeder hoort en van nature loyaal aan haar is. Echter, de plek waar [minderjarige] nu verblijft, namelijk in [accommodatie] , is niet de juiste plek voor hem. Hij heeft daar geen aansluiting met andere kinderen van de groep en is erg ongelukkig. Ook kan [minderjarige] niet naar huis nu hij geen contact meer heeft met zijn moeder. Na [minderjarige] ’s brief aan de rechter heeft de moeder aangegeven het contact definitief te willen beëindigen. Alhoewel er al langere tijd geen contact was, was de hulpverlening bezig dit te herstellen; volgens haar is dat nu definitief van de baan. [minderjarige] kan wel bij de grootouders wonen. Verder hebben de grootouders aangegeven dat zij ook het belang van een raadsonderzoek inzien. Echter hadden ze wel gehoopt dat [minderjarige] in de meivakantie meerdere dagen bij hen langs zou mogen komen, nu de moeder daar geen toestemming voor geeft.
3.5.
De vertegenwoordigster van de Raad spreekt haar waardering uit voor [minderjarige] : knap dat hij in havo 4 zit, goed kan praten, doorzettingsvermogen heeft en zich momenteel richt op zijn toekomst. Tegelijk ziet de Raad grote zorgen over zijn situatie. Hij zit klem tussen zijn moeder en zijn grootouders. Zijn wens zal het contactherstel met zijn moeder bemoeilijken, mocht hij bij zijn opa en oma gaan wonen en/of mocht de moeder geen gezagsbeslissingen meer over [minderjarige] nemen. In combinatie met zijn belaste voorgeschiedenis en de mogelijke trauma’s die hij heeft opgelopen, alsmede zijn mogelijk kindeigen-problematiek, is nader onderzoek nodig om een duidelijk beeld van de huidige situatie te krijgen. Daarom zal er een ambtshalve raadsonderzoek worden gestart, met inzet op snelle prioritering.
3.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. De wet geeft drie mogelijkheden:
Op grond van artikel 1:251a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan tijdens de echtscheidingsprocedure een beslissing over het gezag van een ouder worden gegeven. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad kan dat ook ná de echtscheidingsprocedure, tenzij in de echtscheidingsprocedure daarover al een beslissing is genomen (zie: HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2241);
Op grond van artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377g BW kan een kind, als zijn ouders samen het gezag over hem uitoefenen, ook vragen om de vaststelling of wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken;
Op grond van artikel 1:377g jo. 1:377a, 1:377b en 1:377e BW kan een kind ook vragen om de vaststelling of wijziging van een omgangsregeling of informatie- en consultatieregeling.
3.7.
De verzoeken van [minderjarige] zijn niet in de wet geregeld en het is daarom voor de rechter niet mogelijk om er een beslissing op te nemen. De zitting van het verzoek van [minderjarige] is toch bepaald, omdat de rechter op basis van het met [minderjarige] gevoerde gesprek en zijn brief wel begrijpt dat [minderjarige] dat verzoek heeft gedaan en de rechter erover met de moeder, de grootouders en de Raad wilde spreken. Zij wilde daarbij vooral ook de Raad de mogelijkheid geven om onderzoek te doen naar de noodzaak om aan de rechter te vragen een beslissing over het gezag te nemen.
3.8.
De Raad heeft tijdens de zitting aangekondigd dat hij ambtshalve onderzoek zal doen naar de tijdens de mondelinge behandeling gebleken feiten en omstandigheden. In dat kader zal de Raad in ieder geval met [minderjarige] , de moeder en de grootouders spreken.
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat de rechter geen ambtshalve beslissing kan nemen. Met deze beslissing komt deze procedure dan ook ten einde. De rechter zal afwachten of de Raad op grond van zijn onderzoekbevindingen de kinderrechter gaat vragen om een kinderbeschermingsmaatregel te nemen.
Overweging voor [minderjarige]
3.10.
De rechtbank hecht er waarde aan om [minderjarige] een brief te sturen met een uitleg over de beslissing. In deze brief, die naar het adres van de [accommodatie] te [plaats 1] wordt verzonden, leest [minderjarige] het volgende.
Beste [minderjarige] ,
Jij hebt een brief aan de rechtbank gestuurd. Op 3 april 2026 heb jij hier met de rechter over gesproken. Jij hebt aangegeven dat je niet meer wil dat jouw moeder het gezag over je uitoefent. Het liefst zou jij willen dat jouw grootouders (vaderszijde) jouw voogden worden en jij bij hen gaat wonen. Je hebt de kinderrechter uitgelegd waarom dat zo is.
Zoals afgesproken heeft de kinderrechter daarna jouw moeder en grootouders hierover op gesprek uitgenodigd. Dat was op 26 april 2026. Hier was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming bij aanwezig. Jouw moeder heeft besloten om niet naar het gesprek te komen, maar heeft ervoor gekozen een brief naar de rechtbank te sturen.
De kinderrechter heeft jouw mening goed begrepen. Ook heeft de kinderrechter de mening van jouw moeder gelezen en geluisterd naar de mening van jouw grootouders en naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
Zoals de kinderrechter ook al met jou had besproken kan de kinderrechter niet op jouw wensen beslissen. Daar is namelijk geen wettelijke grondslag voor. Met onderstaande beslissing komt deze procedure dan ook tot een einde.
Wel heeft de Raad voor de Kinderbescherming tijdens het gesprek besloten een onderzoek te starten. De Raad wil een goed beeld krijgen van jouw situatie, maar ook die van je moeder en je opa en oma. De Raad zal in ieder geval met jouzelf, je moeder en je grootouders willen spreken. Na het onderzoek maakt de Raad een rapport en kan hij, als de Raad dat in jouw belang vindt, de rechter verzoeken om het gezag van je moeder te beëindigen. De Raad voor de Kinderbescherming kan de rechter ook vragen om een andere kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken, zoals een ondertoezichtstelling. Dat betekent dat een jeugdbeschermer meekijkt en helpt bij het nemen van belangrijke beslissingen over jou. In sommige situaties kan de Raad ook vragen om een (tijdelijke) uithuisplaatsing, waarbij je ergens anders gaat wonen.
De uitkomst van het onderzoek is nu natuurlijk nog niet duidelijk, maar in ieder geval zal er goed naar jouw situatie worden gekeken en kan jij je mening naar voren brengen. De kinderrechter heeft vertrouwen in de deskundigheid van de Raad en denkt dan ook dat met deze uitkomst jouw stem wordt gehoord.
Ik hoop dat je begrijpt wat er wordt besloten en waarom. Mochten er in de toekomst weer nieuwe zorgen ontstaan, dan mag je altijd opnieuw een brief schrijven.
De kinderrechter.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
neemt geen ambtshalve beslissing.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. De Haard, griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.