Uitspraak
.[minderjarige 1] heeft ervoor gekozen een brief naar de kinderrechter te sturen. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter besproken wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.De feiten
- [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats 1] );
- [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2019 te [geboorteplaats 2] );
- [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag 3] 2020 te [geboorteplaats 3] );
- [minderjarige 4] (geboren op [geboortedag 4] 2023 te [geboorteplaats 2] ).
De man is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Dit hoger beroep is momenteel nog aanhangig.
3.Het verzoek
- het verzoek van de vrouw om het ouderlijk gezag van de man te schorsen, af te wijzen;
- te bepalen dat de vrouw de bij vonnis van 13 december 2023 vastgestelde informatieregeling onverkort dient na te komen, in die zin dat zij:
€ 40.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen dwangsom voor iedere keer dat zij geen medewerking verleent aan deze zorgregeling;
4.De beoordeling
De rechtbank zal de Raad daarom verzoeken om vooruitlopend op en ten behoeve van de bodemprocedure onderzoek naar te verrichten en nader te adviseren over de vraag of de belangen van de minderjarigen zich tegen een zorgregeling met de man verzetten en zo dit niet het geval is, te adviseren welke regeling het meest passend is voor de minderjarigen. Indien door de Raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie. Het voorgaande maakt dat het verzoek van de man ten aanzien van de zorgregeling in het kader van deze procedure zal worden afgewezen.
5.De beslissing
op de familiekamerrol van dinsdag 27 oktober 2026bij de rechtbank in te dienen onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen, zodat dit rapport en advies meegenomen kan worden op de mondelinge behandeling die gepland zal worden in november 2026;
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.