Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
- de burgemeester van de Gemeente Bergen op Zoom,
- de geneesheer-directeur van [accommodatie] te [plaats 2] .
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 april 2026;
- het bericht van verzoeker van 18 mei 2026;
- het bericht van de geneesheer-directeur (verweerder) van 20 mei 2026;
- het bericht van de burgemeester (verweerder) van 21 mei 2026;
- het verweerschrift van verweerder, binnengekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026;
- het verweerschrift van verweerder ten aanzien van de verzochte schadevergoeding, binnengekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026.
2.Wat vaststaat
3.Het verzoek en verweer
- volgens verzoeker is de beschikking van 10 april 2026 onvoldoende concreet en grotendeels gebaseerd op standaardformuleringen zonder specifieke motivering toegespitst op de persoonlijke situatie van verzoeker;
- verzoeker betwist dat sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel;
- verzoeker betwist dat er sprake is van een voldoende onderbouwd vermoeden van een psychische stoornis. De beschikking vermeldt niet welke stoornis wordt vermoed waarop dat vermoeden is gebaseerd;
- er is onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een zodanig crisissituatie die zo ernstig is dat een procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht;
- de hoorplicht is geschonden nu weliswaar in de beschikking staat dat verzoeker is gehoord maar verzoeker ontkent dat hij voorafgaand aan het nemen van de maatregel is gehoord;
- er ontbreekt volgens verzoeker een draagkrachtige motivering waarom de crisismaatregel noodzakelijk en proportioneel zou zijn. Niet blijkt dat minder ingrijpende alternatieven zijn onderzocht en dat deze alternatieven onvoldoende zouden zijn;
- de beschikking is onvoldoende geïndividualiseerd en lijkt feitelijk te zijn gebaseerd op een standaardformulier.