ECLI:NL:RBZWB:2026:5708

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447740 / FA RK 26-2255
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:6 WvggzArt. 7:1 WvggzArt. 7:2 WvggzArt. 1:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen crisismaatregel en afwijzing schadevergoeding Wvggz

Verzoeker stelde beroep in tegen een crisismaatregel opgelegd door de burgemeester van Bergen op Zoom op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Hij betwistte de rechtmatigheid van het besluit, met name de motivering, het ontbreken van een concrete medische onderbouwing, de schending van de hoorplicht en het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven.

De rechtbank nam kennis van de medische verklaring van een onafhankelijk psychiater, die een ernstig vermoeden van een psychische stoornis en onmiddellijk dreigend ernstig nadeel onderbouwde. De crisismaatregel was gebaseerd op deze verklaring en de acute situatie, waaronder agressief en onvoorspelbaar gedrag van verzoeker en gevaarlijke omstandigheden in zijn thuissituatie.

De rechtbank oordeelde dat het besluit voldoende concreet en individueel was gemotiveerd, dat de hoorplicht niet was geschonden omdat verzoeker telefonisch was gehoord, en dat minder ingrijpende alternatieven niet toereikend waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

De beschikking werd op 29 mei 2026 uitgesproken door rechter De Beer te Middelburg. Tegen deze beschikking staat cassatie open en hoger beroep voor het schadeverzoek.

Uitkomst: Het beroep tegen de crisismaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447740 / FA RK 26-2255
Datum uitspraak: 29 mei 2026
Beslissing over beroep tegen de crisismaatregel en op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 10:12 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 29 mei 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg op het ingediende verzoekschrift van
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1962 te [geboorteplaats] ,
wonende in [plaats 1] ,
hierna te noemen verzoeker,
verblijvende in [accommodatie] te [plaats 2] ,
advocaat: mr. Z. Yeral te Roosendaal.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • de burgemeester van de Gemeente Bergen op Zoom,
  • de geneesheer-directeur van [accommodatie] te [plaats 2] .
De zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke worden hierna gezamenlijk aangeduid als verweerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 30 april 2026;
  • het bericht van verzoeker van 18 mei 2026;
  • het bericht van de geneesheer-directeur (verweerder) van 20 mei 2026;
  • het bericht van de burgemeester (verweerder) van 21 mei 2026;
  • het verweerschrift van verweerder, binnengekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026;
  • het verweerschrift van verweerder ten aanzien van de verzochte schadevergoeding, binnengekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026.

2.Wat vaststaat

2.1.
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom een crisismaatregel afgegeven van 10 april 2026 tot en met 13 april 2026. De volgende vormen van verplichte zorg zijn daarin opgenomen:
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter
behandeling van een somatische aandoening;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.2.
Door de rechtbank is een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend tot en met 5 mei 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in een accommodatie van [accommodatie] te [plaats 2] .
2.3.
Door de rechtbank is op 8 mei 2026 het verzoek tot een zorgmachtiging aan betrokkene afgewezen.
2.1.
Op 30 april 2026 is onderhavig verzoek bij de rechtbank ingediend.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
De advocaat stelt namens verzoeker beroep in tegen de op 10 april 2026, namens de burgemeester van Bergen op Zoom, door de (gemandateerde) wethouder de heer [persoon] , opgelegde crisismaatregel. Verzoeker verzoekt het beroep gegrond te verklaren en een schadevergoeding toe te kennen. Hij voert hiertoe het volgende aan.
  • volgens verzoeker is de beschikking van 10 april 2026 onvoldoende concreet en grotendeels gebaseerd op standaardformuleringen zonder specifieke motivering toegespitst op de persoonlijke situatie van verzoeker;
  • verzoeker betwist dat sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel;
  • verzoeker betwist dat er sprake is van een voldoende onderbouwd vermoeden van een psychische stoornis. De beschikking vermeldt niet welke stoornis wordt vermoed waarop dat vermoeden is gebaseerd;
  • er is onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een zodanig crisissituatie die zo ernstig is dat een procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht;
  • de hoorplicht is geschonden nu weliswaar in de beschikking staat dat verzoeker is gehoord maar verzoeker ontkent dat hij voorafgaand aan het nemen van de maatregel is gehoord;
  • er ontbreekt volgens verzoeker een draagkrachtige motivering waarom de crisismaatregel noodzakelijk en proportioneel zou zijn. Niet blijkt dat minder ingrijpende alternatieven zijn onderzocht en dat deze alternatieven onvoldoende zouden zijn;
  • de beschikking is onvoldoende geïndividualiseerd en lijkt feitelijk te zijn gebaseerd op een standaardformulier.
Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarden van de wet om te komen tot op het opleggen van een crisismaatregel.
3.2.
De advocaat verzoekt namens verzoeker ook om verzoeker een schadevergoeding toe te kennen voor een bedrag zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.3.
Verweerder voert gemotiveerd verweer strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht en afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 7:6 lid 1 Wvggz Pro kan verzoeker door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.
4.2.
Op 10 april 2026 is door de burgemeester een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker. Verzoeker heeft op 30 april 2026 beroep ingesteld tegen deze crisismaatregel. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld.
4.3.
In artikel 7:6 derde Pro lid onder b, van de Wvggz is bepaald dat de burgemeester niet eerder een crisismaatregel neemt nadat hij betrokkene, zo mogelijk, in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Daarnaast blijkt uit artikel 7:1 lid 1 onder Pro e. van de Wvggz dat slechts een crisismaatregel kan worden opgelegd indien sprake is van verzet als bedoeld in artikel 1:4 tegen Pro zorg.
Standpunt van verzoeker
4.4.
Verzoeker stelt dat aan de wettelijke vereisten niet is voldaan en heeft beroep ingesteld tegen de op 10 april 2026 door verweerder genomen crisismaatregel op grond van artikel 7:1 Wvggz Pro. Verzoeker kan zich niet verenigen met dit besluit en stelt dat de crisismaatregel ten onrechte is opgelegd. Volgens verzoeker is het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Hij voert aan dat verweerder in de beschikking voornamelijk gebruik heeft gemaakt van algemene en gestandaardiseerde formuleringen zonder concreet toe te lichten waarom in de specifieke situatie van verzoeker sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, een psychische stoornis en verzet tegen zorg. Ook zou onvoldoende zijn gemotiveerd waarom een reguliere zorgmachtiging niet kon worden afgewacht.
4.5.
Daarnaast stelt verzoeker dat hij voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel niet is gehoord terwijl in de beschikking wel staat vermeld dat dit zou zijn gebeurd. Volgens verzoeker blijkt uit de stukken niet wanneer, door wie en op welke wijze hij zou zijn gehoord. Daarmee is volgens hem niet voldaan aan de hoorplicht en is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Verder voert verzoeker aan dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake was van een vermoeden van een psychische stoornis en van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Volgens hem ontbreekt een concrete medische verklaring en onderbouwing waaruit blijkt dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een crisismaatregel was voldaan.
4.6.
Verzoeker stelt zich daarom op het standpunt dat de crisismaatregel is genomen in strijd met de Wvggz en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Standpunt van verweerder
4.7.
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door verzoeker aangevoerde beroepsgronden en stelt zich op het standpunt dat de crisismaatregel rechtmatig tot stand is gekomen en voldoet aan de eisen van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
4.8.
Ten aanzien van de klacht dat de beschikking onvoldoende concreet zou zijn gemotiveerd, voert verweerder aan dat het besluit niet uitsluitend is gebaseerd op algemene standaardoverwegingen maar ook op een medische verklaring van een psychiater die is opgesteld voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel. Volgens verweerder bevat deze medische verklaring concrete en op de persoon van verzoeker toegespitste bevindingen over zijn actuele gezondheidstoestand. Daarbij wijst verweerder er op dat in de medische verklaring specifiek is ingegaan op het psychiatrisch onderzoek, het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en het verzet tegen zorg. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de crisismaatregel voldoende draagkrachtig en individueel is gemotiveerd.
4.9.
Met betrekking tot de door verzoeker gestelde schending van de hoorplicht betwist verweerder dat hiervan sprake is geweest. Verweerder voert aan dat verzoeker wel degelijk voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel is gehoord. Volgens verweerder heeft dit horen telefonisch plaatsgevonden door een medewerker van [meldpunt] en is hiervan een verslag opgemaakt. Verder voert verweerder verweer tegen het standpunt van verzoeker dat onvoldoende onderbouwd zou zijn dat sprake was van een psychische stoornis. Verweerder stelt dat de medische verklaring voldoende inzicht geeft in de symptomen en gedragingen die verzoeker vertoonde en op grond waarvan de psychiater een psychische stoornis vermoedde. Volgens verweerder vormt deze medische onderbouwing voldoende basis voor het nemen van de crisismaatregel.
4.10.
Ook ten aanzien van het door verzoeker betwiste onmiddellijk dreigend ernstig nadeel voert verweerder aan dat hiervan voldoende is gebleken uit de medische verklaring. Verweerder wijst erop dat de psychiater daarin heeft uiteengezet dat en waarom het gedrag van verzoeker leidde tot een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, ook met welke concrete symptomen, gedragingen en feiten daaraan ten grondslag lagen. Verweerder vindt deze motivering voldoende om de noodzaak van de crisismaatregel aan te geven.
4.11.
Ten slotte heeft verweerder verweer gevoerd tegen het verzoek om schadevergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met de Wvggz bij het nemen van de crisismaatregel en dat er daarom geen grond bestaat voor de toekenning van een schadevergoeding. Daarnaast voert verweerder aan dat verzoeker niet heeft onderbouwd welke concrete schade hij zou hebben geleden als gevolg van de crisismaatregel. Ter ondersteuning verwijst verweerder naar jurisprudentie van de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:1018).
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.13.
Uit de stukken blijkt dat de aanleiding voor het nemen van de crisismaatregel is geweest dat verzoeker gedrag vertoonde dat door de betrokken hulpverleners als ernstig ontregelend, agressief en onvoorspelbaar werd ervaren. Uit de medische verklaring en de aan de burgemeester verstrekte informatie kwam naar voren dat sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel zowel voor verzoeker zelf als voor anderen. Daarbij is onder meer betrokken dat verzoeker verbaal agressief en wisselvallig gedrag vertoonde, dat verzoeker lichamelijk was uitgeput mede door niet eten en slapen en dat er sprake was van gevaarlijke situaties in de thuissituatie met elektriciteit, water, lekkage en waterschade. Verzoeker was moeilijk te sturen in zijn gedrag zodat ingrijpen noodzakelijk werd geacht om escalatie te voorkomen. Ook is vastgesteld dat verzoeker zich verzette tegen zorg en dat vrijwillige zorgverlening niet mogelijk werd geacht.
4.14.
De crisismaatregel is gebaseerd op een medische verklaring van een onafhankelijk psychiater opgesteld voorafgaand aan het nemen van het besluit. Uit die verklaring blijkt dat er sprake was van een ernstig vermoeden van een psychische stoornis en van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel als bedoeld in de Wvggz. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op die medische verklaring mogen baseren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder aanleiding had moeten zien om aan de inhoud of de zorgvuldigheid van die verklaring te twijfelen.
4.15.
Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voldoende concreet is gemotiveerd. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt op welke feiten en omstandigheden het oordeel is gebaseerd dat er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel en waarom het noodzakelijk werd geacht verplichte zorg toe te passen. Daarbij is verweerder uitgegaan van de bevindingen van de psychiater rondom het psychiatrisch toestandsbeeld, het agressieve en onvoorspelbare gedrag van verzoeker en het ontbreken van mogelijkheden voor vrijwillige zorg. Ook is volgens de rechtbank voldoende uiteengezet waarom de reguliere procedure voor een zorgmachtiging niet kon worden afgewacht. In artikel 7.2 lid 1 Wvggz staan de minimumvereisten aan een besluit crisismaatregel opgesomd. Daaraan voldoet het onderhavige besluit. De Algemene Wet Bestuursrecht is nu niet van toepassing. Het besluit moet aldus in samenhang met de medische verklaring worden gezien. Daarmee is het besluit voldoende zorgvuldig gemotiveerd.
4.16.
De rechtbank volgt verzoeker ook niet in zijn standpunt dat de hoorplicht zou zijn geschonden. Verweerder heeft toegelicht dat verzoeker voorafgaand aan het nemen van de crisismaatregel telefonisch is gehoord door een medewerker van [meldpunt] en dat hiervan een verslag is opgemaakt. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. Dat verzoeker zich niet kan verenigen met de inhoud van het besluit maakt niet dat er daarom sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding.
4.17.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat minder bezwarende alternatieven ontoereikend waren om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel af te wenden. Gelet op de acute situatie, het wisselvallige gedrag van verzoeker en het door de behandelaars geschetste veiligheidsrisico, heeft verweerder de in de crisismaatregel opgenomen vormen van verplichte zorg noodzakelijk mogen vinden. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat het ging om maatregelen die erop waren gericht de crisissituatie te stabiliseren en verdere escalatie te voorkomen.
4.18.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de crisismaatregel in overeenstemming met de wettelijke vereisten van de Wvggz heeft genomen en dat het besluit zorgvuldig is voorbereid en toereikend is gemotiveerd. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart het beroep van verzoeker ongegrond;
5.2.
wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026 door mr. De Beer, rechter, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier en op schrift gesteld op 29 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open en voor zover het om de schadeverzoek gaat hoger beroep.