ECLI:NL:RBZWB:2026:5742

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
11601799 \ MB VERZ 25-464
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete voor vasthouden mobiel tijdens rijden

Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Backer en Ruebweg te Breda op 7 augustus 2023. Betrokkene stelde beroep in bij de officier van justitie, die dit ongegrond verklaarde. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter constateerde dat de officier van justitie de informatieplicht had geschonden door niet alle stukken te verstrekken, maar dit had geen gevolgen omdat de gemachtigde de stukken bij de rechtbank kon opvragen. De gedraging staat inhoudelijk vast en is niet betwist.

De redelijke termijn van behandeling werd overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde zekerheid en tot vergoeding van proceskosten van €116,75. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd.

Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete met 25% gematigd en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11601799 \ MB VERZ 25-464
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 9 juni 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde] B.V.)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Backer en Ruebweg te Breda op 7 augustus 2023 om 12:08 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de officier van justitie de informatieplicht heeft geschonden door geen stukken te verstrekken waaruit blijkt dat de vermeende overtreding is begaan. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er zijn inderdaad geen stukken toegestuurd, waardoor sprake is van een schending, maar zonder gevolgen omdat de stukken bij de rechtbank in de kantonfase opgevraagd konden worden. De gedraging staat inhoudelijk vast. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Informatieplicht
De kantonrechter is het met gemachtigde en de zittingsvertegenwoordiger eens en stelt vast dat de informatieplicht is geschonden, omdat de officier van justitie de op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft verstrekt. Daarbij ziet de kantonrechter geen aanleiding om consequenties te verbinden aan deze schending, omdat gemachtigde toegang had tot de stukken door de mogelijkheid om ze bij de rechtbank op te vragen.
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit het aanvullend proces-verbaal - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Gemachtigde ontkent dit ook niet.
De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de redelijke termijn overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing. [1]
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 285, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 95, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending:

Voetnoten

1.Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.