Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 30 augustus 2023. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden en voerde aan dat de verklaring van de verbalisant te summier was. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende was om de gedraging vast te stellen, aangezien het niet verplicht is om kenmerken van het apparaat te noteren. Er was geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring te twijfelen. De boete was daarom terecht opgelegd.
Echter, de kantonrechter constateerde dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete gematigd met 25% wegens overschrijding redelijke termijn en proceskostenvergoeding toegekend.