ECLI:NL:RBZWB:2026:5763

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2978
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WpoArt. 3:4 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen verwijderingsbesluit basisschool wegens geweldsincident

Het college van bestuur van Archipelscholen nam op 10 april 2026 het besluit om een leerling van groep 6 te schorsen en vervolgens te verwijderen vanwege een ernstig geweldsincident waarbij de leerling een klasgenoot sloeg en er daarna fysiek geweld plaatsvond tegen de moeder van dat klasgenootje. Verzoekers maakten bezwaar tegen het verwijderingsbesluit en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en de rechtmatigheid van het besluit. Hoewel het incident ernstig was, bleek uit de stukken dat de leerling zelf niet betrokken was bij de escalatie met de moeder van het klasgenootje. Het verwijderingsbesluit was gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid, maar de rechter toetst aan het evenredigheidsbeginsel en concludeerde dat het besluit niet geschikt, noodzakelijk en evenwichtig was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de leerling om onderwijs te blijven volgen en de continuïteit van zijn schoolcarrière zwaarder weegt dan het belang van de school bij orde en veiligheid. Daarom werd het verzoek tot schorsing van het verwijderingsbesluit toegewezen met ingang van 1 juli 2026. Tevens werd het college van bestuur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verwijderingsbesluit van de leerling wordt geschorst met ingang van 1 juli 2026 tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2978

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. R. Wouters),
en

Het College van Bestuur Archipelscholen, het college van bestuur

(gemachtigde: mr. K. van den Mosselaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college van bestuur tot verwijdering van een van verzoekers zonen van een basisschool. Verzoekers hebben daar bezwaar tegen gemaakt en vragen bij wijze van voorlopige voorziening om schorsing van dat besluit. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en maakt daarbij tevens een belangenafweging.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
.Hierna wordt uitgelegd hoe de voorzieningenrechter tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 10 april 2026 heeft het college van bestuur een tweetal besluiten genomen. Ten eerste is besloten om [zoon verzoeker] met ingang van 13 april 2026 te schorsen voor de duur van vijf schooldagen (zijnde de laatste week voor de meivakantie) vanwege een ernstig incident waarbij sprake is geweest van geweld richting een klasgenoot, wat uiteindelijk heeft geleid tot fysiek geweld richting een ouder, waarbij deze ouder letsel heeft opgelopen.
Daarnaast is diezelfde dag besloten dat hij na afloop van de schorsing niet langer welkom is op de betreffende basisschool, omdat de aard van dit incident maakt dat zonder deze vervolgmaatregel de veiligheid van leerlingen, ouders en personeel niet langer kan worden gegarandeerd (het verwijderingsbesluit).
2.1.
In een brief van 12 mei 2026 schrijft het college van bestuur dat zij een vervangende school heeft gevonden (die eveneens onderdeel is van Archipelscholen) voor beide zonen van verzoekers.
2.2.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en namens het college van bestuur [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (directeur van de basisschool), bijgestaan door hun gemachtigde.
2.4.
Ter zitting is gebleken dat er een hoorzitting in bezwaar gepland staat op 30 juni 2026.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

De feiten en omstandigheden
3. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4. [zoon verzoeker] zit in groep 6 van de bassischool. Zijn hele schoolcarrière heeft hij – tot het verwijderingsbesluit – onderwijs gevolgd op dezelfde school. Zijn broertje zit in groep 4 op diezelfde school.
5. Op 9 april 2026 heeft [zoon verzoeker] , na schooltijd, op of rond het [locatie] een klasgenootje geslagen met een tak c.q. stok. Het klasgenootje is daarna naar huis gegaan en is vervolgens samen met haar moeder teruggekeerd naar het [locatie] . Daar heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen de moeder en een groep jongeren. Een gedeelte daarvan is gefilmd. Die beelden zijn ook ingebracht in de procedure en daarop is te zien dat de moeder door verschillende meiden wordt geslagen en naar de grond wordt gewerkt, waarna twee van de meiden op haar in blijven slaan. Volgens de politie, zo blijkt uit een krantenartikel dat is overgelegd door het college van bestuur, zou het gaan om bekenden van de politie in de leeftijd van elf tot en met achttien jaar, die in wisselende samenstelling wel vaker rottigheid uithalen in de omgeving.
6. Naar aanleiding hiervan heeft op 10 april 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekers, de zus en de tante van [zoon verzoeker] enerzijds en de directeur van basisschool, de leerkracht van groep 6, de brugfunctionaris en een lid van het college van bestuur anderzijds, waarna diezelfde dag beide in rechtsoverweging 2 genoemde besluiten zijn genomen, alsmede door de directeur van de basisschool een e-mail aan verzoekers is gezonden over een andere school die open zou staan voor een kennismaking.
Tegen welk(e) besluit(en) is het verzoek gericht?
7. Ter zitting is door de gemachtigde van verzoekers verduidelijkt dat het verzoek niet ziet op het schorsingsbesluit van 10 april 2026, aangezien de periode van de schorsing al verstreken is.
8. Verder is ter zitting door het college van bestuur verklaard dat de brief van 12 mei 2026 geen rechtsgevolg heeft en dus niet aangemerkt kan worden als besluit; er is geen besluit genomen tot verwijdering van het broertje van [zoon verzoeker] en evenmin een voornemen daartoe. Hij gaat ook nog steeds naar school. Gelet daarop hebben verzoekers hun verzoek tot schorsing van dat (vermeende) besluit ingetrokken.
9. Het verzoek ziet dus enkel op het verwijderingsbesluit.
Het standpunt van verzoekers
10. Volgens verzoekers blijkt het spoedeisend belang uit de aard van het besluit. [zoon verzoeker] is momenteel verwijderd van school en ontvangt geen onderwijs. Dit is inmiddels al weken het geval, waardoor het noodzakelijk is dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. Mede gezien de continuïteit van het onderwijs, het behoud van de vertrouwde schoolomgeving en ter voorkoming van onnodige onrust en achterstand. Een schoolwissel, met name op deze wijze, kan gevoelens van onveiligheid en onzekerheid veroorzaken. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is onwenselijk voor een kind dat hij tijdelijk in een volkomen vreemde omgeving wordt geplaatst terwijl het bezwaar nog lange tijd in beslag kan nemen. Daarbij is thuisonderwijs niet de norm en onwenselijk. [zoon verzoeker] mist enorm veel. Op school kan hij veel beter leren dan thuis. Het is volgens verzoekers ook niet te volgen waarom hem in afwachting van de bezwaarprocedure de toegang tot de school wordt ontzegd. Verzoekers mogen ook op school komen zolang zijn broertje nog naar deze school gaat.
11. Verzoekers voeren verder aan dat zowel verzoekers als [zoon verzoeker] er niet bij zijn geweest toen zich een fysieke escalatie heeft voorgedaan tussen de moeder van het klasgenootje en een andere groep kinderen in het park (welke escalatie, zo hebben verzoekers begrepen, is gestart door de moeder). Zij hebben daar dus ook niets mee te maken.
12. Vervolgens heeft er weliswaar op 10 april 2026 een gesprek plaatsgevonden, maar daarbij heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden. Er is direct medegedeeld dat er naar een andere school gezocht zal worden. Het besluit van het college van bestuur stond dus al vast.
13. Dat kinderen onder elkaar een incident hebben met een tak kan gebeuren en kan in redelijkheid nooit een reden zijn voor verwijdering van een school.
14. Verzoekers hebben groot vertrouwen in de school. De kinderen gaan hier met veel plezier naartoe, de school is dichtbij en alle vriendjes en vriendinnetjes zitten op de school en wonen in de wijk. Verzoekers zijn altijd respectvol omgegaan met iedereen op school en er is een goede band tussen de ouders, de leerkrachten en de andere ouders. Verzoekers hebben ook meteen aangegeven bereid te zijn om het gesprek met de moeder van het klasgenootje aan te gaan, in wat voor vorm dan ook. Verzoekers vinden het opvallend dat de school en/of de moeder van het klasgenootje hier niet voor openstaan.
Het verweer van het college van bestuur
15. Ter zitting heeft het college van bestuur verweer gevoerd. Het college van bestuur voert aan dat uit de camerabeelden blijkt dat de moeder van het klasgenootje naar de groep jongeren toeloopt, hen aanspreekt en een gebaar maakt met haar arm. Zij start echter geen fysieke confrontatie. Vervolgens begint een deel van de groep jongeren de moeder te slaan en te trappen. Ook [zoon verzoeker] en zijn broertje zouden hierbij aanwezig zijn geweest.
16. De moeder van [zoon verzoeker] heeft volgens het college van bestuur in het gesprek van 10 april 2026 onvoldoende blijk van inzicht gegeven over de onjuistheid van het handelen van [zoon verzoeker] en de ernst van de gebeurtenissen die daar op volgden. Bovendien heeft de zus van [zoon verzoeker] tijdens het gesprek een rechtstreekse bedreiging geuit aan het adres van het klasgenootje en haar ouders, namelijk “
als jullie hem verwijderen dan zijn zij pas echt in gevaar”. Vervolgens is zij naar de klas van het broertje van [zoon verzoeker] gelopen en heeft zij hem daar weggetrokken met de mededeling: “
je moet van deze school af”. Dit heeft een negatieve invloed gehad op de veiligheid van groep 4.
17. Verder heeft het college van bestuur pas voor het eerst in deze procedure gehoord dat verzoekers open staan voor een gesprek; dit is nooit eerder voorgesteld en bovendien feitelijk onmogelijk gelet op de kwetsbare toestand van het klasgenootje.
18. Het college van bestuur voert daarnaast aan dat de bevoegdheid om een leerling op grond van artikel 40, lid 11 van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) te verwijderen een discretionaire bevoegdheid is. De voorzieningenrechter dient het besluit terughoudend te toetsen en te beoordelen of de school in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [zoon verzoeker] van school te verwijderen. Het voorstel om [zoon verzoeker] aan te melden bij een andere school is niet onredelijk bezwarend. De school is maar 900 meter verder en kan dezelfde ondersteuning bieden als zijn huidige school. Daarnaast ervaart de school juist geen vertrouwensband met de ouders in tegenstelling tot verzoekers aanvoeren. Zij komen namelijk de afspraken niet na en vertonen regelmatig respectloos gedrag jegens het team.
19. Verder heeft het incident veel impact gehad. Het klasgenootje durft niet meer alleen naar buiten. Zij krijgt een professionele behandeling voor haar traumatische klachten. Volgens het college van bestuur weegt het belang van de school, de medewerkers en de andere leerlingen bij orde, rust en veiligheid zwaarder dan het belang van [zoon verzoeker] om terug te keren naar school. De terugkeer van [zoon verzoeker] zou tot grote onrust leiden bij andere leerlingen, ouders en het team. Het conflict wordt dan onnodig de school ingetrokken, waardoor een nog groter gevoel van onveiligheid ontstaat. Andere schoolgenoten waren ook bij het incident aanwezig en direct op 10 april 2026 overheerste een gevoel van onveiligheid. De verklaring van de moeder van het klasgenootje illustreert de ernst van de situatie. Bovendien heeft de leerkracht van [zoon verzoeker] na het incident verschillende dreigementen ontvangen. Dit heeft de onrust binnen het team verder vergroot. Sinds het incident is de wijkagent ook dagelijks op school.
20. Ter zitting heeft het college gesteld dat zij geen verklaringen van andere betrokkenen kan overleggen, omdat mensen te bang zijn om dit op papier te zetten.
Is de bestuursrechter bevoegd?
21. Tegen een beslissing van een openbare school die een uitoefening is van openbaar gezag, waarbij eenzijdig de rechtspositie van de leerling wordt bepaald, dient beroep ingesteld te worden bij de bestuursrecht. Dit is het geval bij verwijdering van een leerling. Archipelscholen verzorgt openbaar basisonderwijs, dus de bestuursrechter is bevoegd.

Toetsingskader

22. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belangen.
Spoedeisend belang
24. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening. Weliswaar wordt er vervangend onderwijs aangeboden, maar een schoolwisseling is een ingrijpende gebeurtenis en dat geldt des te meer wanneer dat als gevolg van een disciplinaire maatregel gebeurt. Bovendien zal [zoon verzoeker] , in het geval dat het bestreden besluit geen stand houdt, wederom van school moeten (terug)wisselen. Verzoekers hebben er belang bij om dat te voorkomen, terwijl zij er bovendien belang bij hebben dat er op korte termijn een einde komt aan de huidige situatie waarin [zoon verzoeker] niet naar school gaat.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

25. De bevoegdheid om een leerling te verwijderen berust op artikel 40 Wpo Pro en is discretionair. Anders dan betoogd door het college van bestuur betekent dit echter niet (meer) dat de rechterlijke toets beperkt is tot de vraag of college van bestuur in redelijkheid het verwijderingsbesluit heeft kunnen nemen, maar dient getoetst te worden aan het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4 tweede Pro lid Awb. [1] Daarbij gaat het om de geschiktheid van de maatregel, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid daarvan.
26. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het verwijderingsbesluit deze toetst niet doorstaan. Daarbij is het navolgende in aanmerking genomen.
26.1.
Dat [zoon verzoeker] na schooltijd een klasgenootje met een tak dan wel stok heeft geslagen, staat vast. Wat er precies is gebeurd en hoe ernstig dat was, is echter onduidelijk gebleven. En hoewel het college van bestuur er zwaarder aan lijkt te tillen dan verzoekers, volgt uit de stellingen van het college van bestuur dat dit incident op zichzelf niet de reden is geweest voor het verwijderingsbesluit. Voor het college van bestuur speelt vooral mee dat dit – volgens haar – de directe aanleiding was voor het fysieke geweld dat vervolgens is uitgeoefend jegens de moeder van het klasgenootje. Aldus rekent het college van bestuur dit min of meer toe aan [zoon verzoeker] en verbindt daaraan de conclusie dat de veiligheid van leerlingen, ouders en personeel niet langer kan worden gegarandeerd als [zoon verzoeker] niet van school wordt verwijderd.
26.2.
Nog daargelaten of [zoon verzoeker] überhaupt in de buurt was toen de fysieke escalatie plaatsvond – verzoekers betwisten dat en in het krantenartikel is een verklaring van de moeder geciteerd waaruit volgt dat [zoon verzoeker] er vandoor ging toen zij hem zag – is gesteld noch gebleken dat [zoon verzoeker] daar enig aandeel in heeft gehad. Het gaat dus om een incident dat zich buiten school heeft afgespeeld, waarbij andere, oudere kinderen waren betrokken. Aldus valt niet in te zien hoe het verwijderingsbesluit een geschikt middel kan zijn om herhaling te voorkomen. Bovendien kunnen de gedragingen van de anderen [zoon verzoeker] niet worden aangerekend en aldus ook niet in zijn nadeel worden meegewogen bij de toetsing van de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel.
26.3.
Ter zitting heeft het college van bestuur gesteld dat zij bij het besluit ook heeft meegewogen hoe er tijdens het gesprek op 10 april 2026 is gereageerd door de moeder en zus van [zoon verzoeker] . Daarover is echter niets opgenomen in (de motivering van) het verwijderingsbesluit en bovendien hebben verzoekers de geschetste gang van zaken betwist. Maar ook voor zover dat nog betrokken zou kunnen worden bij de heroverweging in bezwaar is het maar zeer de vraag of het besluit daarmee wel geschikt, noodzakelijk én evenwichtig is.
27. Gelet op het voorgaande luidt het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat ernstig betwijfeld wordt of het verwijderingsbesluit rechtmatig is. Vooralsnog is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Belangenafweging
28. Het is voorstelbaar dat de fysieke escalatie een grote impact heeft gehad op alle betrokkenen en met name op het klasgenootje en haar moeder en dat dit voorts veel onrust heeft veroorzaak bij andere leerlingen en ouders, mede doordat er beelden van zijn verspreid. Terugkeer van [zoon verzoeker] naar zijn klas/school ligt daarmee gevoelig, maar dat weegt niet op tegen het belang van [zoon verzoeker] om weer onderwijs op zijn eigen school te kunnen volgen en aldus een (mogelijk dubbele) schoolwisseling te voorkomen. Wel is het in het belang van alle betrokkenen dat de terugkeer op een verantwoorde wijze plaatsvindt. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek tot schorsing van het verwijderingsbesluit toe te wijzen met ingang van woensdag 1 juli 2026, zodat verzoekers en het college van bestuur nog enige tijd hebben om zich hierop voor te bereiden en – eventueel – daarover met elkaar van gedachten te wisselen tijdens de op 30 juni 2026 geplande hoorzitting in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

25. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe met ingang van 1 juli 2026 en treft de voorlopige voorziening dat het verwijderingsbesluit is geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
25.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college van bestuur het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Verzoekers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college van bestuur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit vanaf 1 juli 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college van bestuur het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt het college van bestuur tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zo volgt uit ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.