ECLI:NL:RBZWB:2026:5809
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning na onjuiste objectafbakening en onvoldoende bewijs heffingsambtenaar
Belanghebbende is eigenaar van een woning met bijbehorend perceel, bestaande uit een woning, tuin, loods en een akker die afzonderlijk wordt verhuurd. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde voor 2023 vast op €518.000, wat belanghebbende betwistte. Na een bezwaarprocedure die ongegrond werd verklaard, ging belanghebbende in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de objectafbakening onjuist is omdat de akker als afzonderlijk geheel wordt gebruikt en een andere gebruiker heeft dan de woning. Hoewel dit juridisch onjuist is, leidt dit niet tot een aanpassing omdat de akker onder de cultuurgrondvrijstelling valt en buiten de waardebepaling blijft. De heffingsambtenaar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gebruikte referentiewoningen vergelijkbaar zijn met het woning-deel, mede omdat het woning-deel een bedrijfsbestemming heeft en de referentiewoningen reguliere woningen zijn.
Belanghebbende heeft zijn eigen waarde van €352.000 niet aannemelijk gemaakt omdat de taxatie niet gebaseerd is op marktinformatie. Omdat geen van beide partijen de waarde aannemelijk heeft gemaakt, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €400.000. De uitspraak leidt tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag OZB, vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank vermindert de WOZ-waarde tot €400.000 en vernietigt de uitspraak op bezwaar.