Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
Inleiding
- belanghebbende;
- namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1], mr. [inspecteur 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende verzocht bij brief van 9 februari 2024 om compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2019 op grond van de Wet compensatie wegens selectie aan de poort. De minister van Financiën gaf bij brief van 11 juli 2024 aan het verzoek niet in behandeling te nemen, waarop belanghebbende bezwaar maakte. De inspecteur deed op 4 oktober 2024 uitspraak op het bezwaar, waartegen belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank onder zaaknummer BRE 24/7667.
Belanghebbende stelde vervolgens dat de inspecteur niet tijdig dwangsombeschikkingen had afgegeven wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar en startte aparte beroepen. De rechtbank oordeelt dat klachten over het niet tijdig afgeven van dwangsombeschikkingen niet in een aparte procedure kunnen worden behandeld, maar in de procedure tegen de uitspraak op bezwaar.
Daarom verklaart de rechtbank de onderhavige beroepen niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaken niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt geen terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door rechter S.J. Willems-Ruesink.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk omdat klachten over het niet tijdig afgeven van dwangsombeschikkingen in de procedure tegen de uitspraak op bezwaar moeten worden behandeld.