ECLI:NL:RBZWB:2026:5873
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.894 en een belastingrentebeschikking van € 3, opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de zaak aangehouden voor het overleggen van een inkoopfactuur, waarna het onderzoek is gesloten.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De taxatiemethode is primair van toepassing, waarbij de rechtbank de historische nieuwprijs van € 196.856 aanhoudt conform een eerder arrest van de Hoge Raad. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, en dat de door de inspecteur gehanteerde waardering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
Subsidiair is de koerslijstmethode besproken, maar ook deze leidt niet tot een lagere aanslag. De rechtbank wijst het beroep af, maar kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 16 maanden. De vergoeding en proceskosten worden verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van verzoek nog niet bestond.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.