ECLI:NL:RBZWB:2026:5873

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BRE 23/11871
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.894 en een belastingrentebeschikking van € 3, opgelegd door de inspecteur. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de zaak aangehouden voor het overleggen van een inkoopfactuur, waarna het onderzoek is gesloten.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De taxatiemethode is primair van toepassing, waarbij de rechtbank de historische nieuwprijs van € 196.856 aanhoudt conform een eerder arrest van de Hoge Raad. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft, en dat de door de inspecteur gehanteerde waardering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

Subsidiair is de koerslijstmethode besproken, maar ook deze leidt niet tot een lagere aanslag. De rechtbank wijst het beroep af, maar kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toe wegens een overschrijding van de redelijke termijn van 16 maanden. De vergoeding en proceskosten worden verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de termijnoverschrijding op het moment van verzoek nog niet bestond.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt bevestigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11871

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.894 aan verschuldigde Bpm en gelijktijdig € 3 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak aangehouden om belanghebbende de gelegenheid te bieden om de inkoopfactuur in te dienen. Belanghebbende heeft de inkoopfactuur op 7 mei 2026 ingediend. De inspecteur heeft geen reactie ingediend. De rechtbank heeft met instemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, het onderzoek bij brief van 20 mei 2026 gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 16 februari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi SQ8 met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 11.558. Belanghebbende heeft de auto voor € 79.831,93 ingekocht.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 18.452 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 [1] slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet.
Taxatiemethode
4.1.
Beide partijen gaan ervan uit dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Belanghebbende beroept zich primair op de taxatiemethode.
Historische nieuwprijs
4.2.
Belanghebbende stelt dat in het DRZ-rapport de historische nieuwprijs te laag is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 196.856. De rechtbank sluit hierbij aan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] . De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere netto catalogusprijs, aangezien beide partijen dezelfde referentieauto hebben gehanteerd als degene die het meest vergelijkbaar is met de auto.
Handelsinkoopwaarde
4.3.
Bij toepassing van de taxatiemethode is de koerslijstwaarde slechts een uitgangspunt. De getaxeerde waarde zal dan van de koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van de auto ten opzichte van de gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. [3]
4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 17.885 en daarvan € 14.150 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft € 4.034 aan schade geconstateerd en daarvan € 2.904 als waardevermindering in aanmerking genomen.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan reeds door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds ruim twee jaar oud was en 60.071 kilometer had gereden. Ook de staat van de velgen en het interieur is niet zodanig dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Verder heeft belanghebbende voor een waardevermindering wegens een schadeverleden geen onderbouwing gegeven en dus ook niet aannemelijk gemaakt.
4.6.
De inspecteur heeft aangevoerd dat de waarde van de auto hoger is dan de koerslijstwaarde minus de door DRZ geconstateerde schade. Daarbij heeft hij gewezen op de verschillen tussen de auto en de referentieauto en de eigen aankoopprijs. De rechtbank acht dit standpunt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft niet het vertrouwen gewekt dat hij in beroep geen nieuwe standpunten zou innemen. Anders dan belanghebbende meent staat de handelsinkoopwaarde ook nog steeds ter discussie.
4.7.
Het ligt op de weg van belanghebbende om de handelsinkoopwaarde als geheel aannemelijk te maken. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Belanghebbende heeft volgens de inkoopfactuur € 79.831,93 (excl. btw en bpm) betaald, terwijl de koerslijst een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat weergeeft van € 83.157 (incl. btw en bpm). In beschadigde staat is dat dan € 80.253. Hoewel de inkoopfactuur niet als uitgangspunt kan worden genomen om de handelsinkoopwaarde te bepalen, kan het wel een indicatie geven dat in dit geval sprake is van een betere staat van de auto of van bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen ten opzichte van de referentievoertuigen waardoor de auto meer waard is. Niet aannemelijk is dat de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 80.253 of een zodanig (beperkt) hoger bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde Bpm leidt. De naheffingsaanslag is daarom bij toepassing van de taxatiemethode niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Koerslijstmethode
4.8.
Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat de koerslijstmethode kan worden toegepast waarbij de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde van € 83.157 van DRZ kan worden gevolgd. Toepassing van de koerslijstmethode leidt in dit geval niet tot een lager bedrag aan verschuldigde Bpm. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 196.856 en een handelsinkoopwaarde van € 83.157 is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld. Belanghebbende gaat in zijn berekening door een rekenfout ten onrechte uit van een hogere historische nieuwprijs en een waardevermindering wegens schade.
Hoogte van de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking
4.9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag vastgesteld. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.
Immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbende heeft op 15 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 1 maart 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 9 maanden heeft geduurd en daarmee 3 maanden te lang, komt € 281,25 voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.218,75) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [5] , maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 281,25;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.218,75;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier, op 1 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.
3.ECLI:NL:HR:2025:310, ro 3.2.2.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
6.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.