Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2013. De Dienst Toeslagen heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist. Eiseres stelde de Dienst Toeslagen op 6 mei 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de beslistermijn van zes weken, vermeerderd met een verlenging van zes weken, is overschreden. De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn voorschrijft. Omdat deze termijn nog niet is verstreken, geldt voor deze zaak een beslistermijn tot uiterlijk 18 mei 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de Dienst Toeslagen te laat beslist, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder moet ook het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 2 februari 2026.