ECLI:NL:RBZWB:2026:600

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
26/50 PW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 17 ParticipatiewetArt. 31 ParticipatiewetArt. 32 ParticipatiewetArt. 53a Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens onvoldoende financiële gegevens

Verzoeker heeft meerdere aanvragen ingediend voor een bijstandsuitkering die door het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren zijn afgewezen wegens het niet overleggen van alle gevraagde financiële gegevens, waaronder bankafschriften en loonstroken.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld en vastgesteld dat verzoeker onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. Ondanks herhaalde verzoeken heeft verzoeker niet alle benodigde documenten overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Verzoeker stelde een spoedeisend belang te hebben vanwege het opraken van zijn financiële reserves en zijn persoonlijke omstandigheden, maar de voorzieningenrechter achtte dit onvoldoende onderbouwd. Ook het feit dat verzoeker binnenkort een baan als huismeester bij het COA begint en geen grote schulden heeft, speelde mee.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit waarschijnlijk in bezwaar standhoudt en ziet geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en verzoeker heeft geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/50 PW VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren, (Orionis), verweerder,

(gemachtigden: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvragen van verzoeker om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft aanvragen ingediend voor een bijstandsuitkering. Orionis heeft deze aanvragen met het besluit van 22 december 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1
Orionis heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en namens Orionis zijn gemachtigde en J. Dingemanse.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
2.1
Eiser heeft op 15 oktober 2025 bij Orionis een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering.
2.2
Met de brief van 28 oktober 2025 heeft Orionis bij verzoeker verschillende gegevens opgevraagd, waaronder bankafschriften over de periode 15 augustus 2025 t/m
15 oktober 2025 en loonstroken over juli 2025 t/m oktober 2025.
2.3
Op 28 oktober 2025 heeft eiser de bankafschriften van een ING-rekening met eindcijfers [cijfers 1] over de periode van 1 augustus 2025 t/m 27 oktober 2025 overgelegd, maar de gevraagde loonstroken niet.
2.4
Met het besluit van 5 november 2025 heeft Orionis besloten verzoekers aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat de gevraagde loonstroken ontbreken.
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.5
Op 2 december 2025 heeft verzoeker opnieuw bijstand aangevraagd.
2.6
Met het besluit van 3 december 2025 heeft Orionis verzoekers aanvraag van
15 oktober 2025 opnieuw in behandeling genomen.
2.7
Met de brief van 3 december 2025 heeft Orionis bij verzoeker verschillende gegevens opgevraagd, zoals afschriften van een ING-rekening met eindcijfers [cijfers 2] over 2025 en eventuele andere (onbekende) rekeningen. Daarnaast verzoekt Orionis om een deugdelijke controleerbare administratie van de bijschrijvingen vanaf 1 juni 2025 die verband houden met verzoekers handel in fietsen en fietsaccessoires.
2.8
Met de e-mail van 16 december 2025 heeft verzoeker hierop gereageerd en onder meer uitleg gegeven over de bijschrijvingen/stortingen op zijn rekening.
2.9
Met het bestreden besluit van 22 december 2025 heeft Orionis verzoekers aanvragen van 15 oktober en 2 december 2025 om een bijstandsuitkering afgewezen. Orionis stelt dat niet is komen vast te staan dat verzoeker in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft niet alle bankafschriften ingeleverd, geen inzicht gegeven in zijn contanten en spaargeld en geen deugdelijke administratie overgelegd over zijn handel in fietsen en -accessoires, waaruit kosten, opbrengsten en resultaat blijken.
2.1
Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij een bewijs van opheffing per 28 mei 2025 van de zakelijke rekening gevoegd, een overzicht van de activiteiten met betrekking tot de fietsen en een nadere uitleg gegeven over de contante stortingen op zijn rekening.
Hangende dit bezwaar heeft verzoeker aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.11
Op 5 januari 2026 heeft verzoeker bij Orionis een nieuwe aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering.
Verzoek
3.1
Verzoeker stelt dat zijn financiële reserves opraken. Hij heeft geen werk maar wel vaste lasten. Hij heeft daarom een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening.
3.2
Volgens verzoeker heeft hij alle gegevens en stukken, waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, overgelegd die nodig zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Hij heeft een toelichting gegeven over de contante stortingen op zijn privérekening, over zijn zakelijke rekening en over het hobbymatig repareren van fietsen.
3.3
Verzoeker ervaart aanhoudende spanningsklachten en kan zijn frustratie niet altijd beheersen. Hij heeft zich daarom opnieuw onder behandeling gesteld. Ter onderbouwing heeft verzoeker een verklaring overgelegd van [psycholoog] ( [praktijk] psychologenpraktijk) van 16 januari 2026.
3.4
Verder heeft verzoeker op 26 januari 2026 een bevestiging van de annulering van zijn BOL-opleiding bij het Maas College overgelegd en meegedeeld dat hij met ingang van 2 februari 2026 bij het COA is aangenomen voor 16 uur per week.
Verweer
4.1
Orionis betwist dat verzoeker een spoedeisend belang heeft. Verzoeker heeft tot op heden geen huurachterstand en maar één maand achterstand in de betaling van de energiekosten. Niet is gebleken dat verzoeker direct in zijn bestaansminimum bedreigd wordt.
Daarbij wijst Orionis erop dat verzoeker op 1 en 16 november en 1 december 2025 het casino heeft bezocht waarbij hij op 16 november een bedrag van € 780,- heeft opgenomen en dat hij medio december 2025 een auto heeft aangekocht voor € 4.500,-.
4.2
Orionis stelt verder dat, ondanks dat hij verschillende keren heeft gevraagd om de afschriften van verzoekers zakelijke rekening, die nog steeds niet zijn ontvangen. Orionis wil inzage in die afschriften vanwege verzoekers eerdere stelling dat, mocht hij de beschikking hebben over een ton/€ 100.000,-, dat niet zou moeten uitmaken. En omdat verzoeker in januari 2025 een bedrag van circa € 13.000,- aan schulden zou hebben afgelost, wat niet in overeenstemming is met de BTW-aangifte over het 1e kwartaal 2025.
4.3
Tot slot maakt Orionis melding van een BOL-opleiding per 26 januari 2026 waarvoor hij geen toestemming heeft gegeven en dat verzoeker met ingang van 2 februari 2026 is aangenomen bij het COA als huismeester.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
6.1
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoeker op verzoek van de rechtbank op 19 januari 2023 afschriften overgelegd van de ING-rekening met eindcijfers [cijfers 1] over de periode van 27 oktober 2025 t/m 12 januari 2026 en van de Revolutrekening met eindcijfers [cijfers 3] over de periode van 1 oktober 2025 t/m 15 januari 2026.
Uit deze afschriften blijkt dat het saldo op deze rekeningen nagenoeg nihil dan wel negatief is. Alhoewel de voorzieningenrechter twijfels heeft over de spoedeisendheid van verzoekers verzoek om voorlopige voorziening zal hij dat verzoek, gelet op de actuele saldi van verzoekers bankrekeningen, inhoudelijk beoordelen.
Bestreden besluit
6.2
Met het bestreden besluit heeft Orionis verzoekers aanvragen om een bijstandsuitkering afgewezen omdat hij niet alle bankafschriften heeft ingeleverd, geen inzicht heeft gegeven in zijn contanten en spaargeld en geen deugdelijke administratie heeft voor wat betreft de handel in fietsen en -accessoires.
6.3
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet het college in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
De medewerkingsverplichting verplicht verzoeker om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan op grond van artikel 53a, eerste lid, van de PW bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip, waarop dit moet gebeuren, bepalen. In het kader van de medewerkingsverplichting kan het college onder meer verzoeken om het overleggen van financiële gegevens. Zowel bij de aanvraag als tijdens de bijstandverlening mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning, dan wel voortzetting van de bijstand gerechtvaardigd is.
Het college is in het kader van dat onderzoek bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Weliswaar wordt daarbij in beginsel uitgegaan van de laatste drie maanden, maar volgens vaste rechtspraak [1] is het college gerechtigd een gericht onderzoek te doen over een langere periode, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen. In het kader van dat onderzoek kan zo nodig inzage worden verlangd in gegevens (zoals bankafschriften) over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden.
6.4
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Orionis kunnen stellen dat er onduidelijkheden zijn over verzoekers financiële situatie en hoe hij voorafgaande aan de aanvragen om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien, gelet op onder andere zijn verklaring over de aflossing van schulden van € 13.000,-, zijn opname bij het casino van € 780,- in november 2025 en de aanschaf van een auto van € 4.500,- in december 2025.
Orionis heeft daarom over een langere periode dan drie maanden bankafschriften mogen opvragen en afschriften van verzoekers zakelijke rekening met eindcijfers [cijfers 2] over de periode 1 januari 2025 t/m 28 mei 2025 (datum opheffing) kunnen verlangen.
Op zitting heeft verzoeker één pagina (van de 13 pagina’s) van het afschrift van de zakelijke rekening met eindcijfers [cijfers 2] over de periode van 13 januari 2025 t/m 28 mei 2025 overgelegd.
Daarmee heeft verzoeker niet alle gevraagde gegevens overgelegd en daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog steeds geen dan wel onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Orionis heeft daarom kunnen concluderen dat nog steeds niet kan worden vastgesteld of verzoeker in bijstandbehoevende verkeert en recht heeft op bijstand.
6.5
Verzoeker heeft op zitting gesteld dat hij de gevraagde afschriften van zijn zakelijke rekening niet heeft hoeven overleggen omdat deze niet relevant zijn en dat Orionis iedere keer als hij stukken/informatie heeft verstrekt weer nieuwe gegevens vraagt.
Zoals hiervoor overwogen heeft Orionis over een langere periode dan drie maanden bij verzoeker bankafschriften mogen opvragen, omdat er nog steeds onduidelijkheden over zijn financiële situatie zijn. Verzoeker draagt ook niet bij aan het wegnemen van die onduidelijkheden door druppelsgewijs stukken aan te leveren die op hun beurt telkens weer nieuwe vragen oproepen en leiden tot aanvullende verzoeken om nadere informatie. Zo is verzoeker door Orionis met de brief van 3 december 2025 gevraagd om afschriften van alle rekeningen. Pas veel later, met het e-mailbericht van 22 januari 2026 en dus na het bestreden besluit, overlegt hij afschriften van een (tot dan toe onbekeaunde) crypto-rekening bij Revolut waaruit transacties in november 2025 blijken. Verder heeft verzoeker kort voor zitting bij Orionis een correctie BTW-aangifte voor het jaar 2025 overgelegd. Ook dat stuk roept weer vragen op. Op zitting is verder gebleken dat verzoeker al op 23 januari 2026 de afschriften van zijn zakelijke rekening met eindcijfers [cijfers 2] over de periode 13 januari 2025 t/m 28 mei 2025 van ING heeft ontvangen. Verzoeker geeft aan dat hij deze pas op 28 of 29 januari 2026 bij Orionis gaat overleggen. Op zitting heeft verzoeker uiteindelijk één pagina van die afschriften overgelegd. Ook die pagina roept weer vragen op. Kortom de onduidelijkheden heeft verzoeker tot op heden nog niet weggenomen, terwijl het op zijn weg ligt om duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie en aannemelijk te maken dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.
6.6
De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat de verwachting bestaat dat het bestreden besluit in bezwaar standhoudt. Hij ziet dan ook geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.
Mede gelet op het feit dat verzoeker op korte termijn als huismeester start bij het COA en er geen (grote) schulden blijken ten aanzien van huur en vaste lasten waardoor huisuitzetting of afsluiting dreigt, ziet de voorzieningenrechter op dit moment ook anderszins geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

7.1
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
7.2
Omdat het verzoek wordt afgewezen heeft verzoeker geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 3 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: relevante wetgeving

Participatiewet
Artikel 11
1. Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 31
1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32
1. Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van Pro de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 53a
1. Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan en de arbeidsinschakeling door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. (…)

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 31 januari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333), 29 maart 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:754) en 16 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1896).