Appellant vroeg bijstand aan, maar het dagelijks bestuur van Laborijn wees de aanvraag af wegens onvoldoende duidelijkheid over zijn financiële situatie en betrokkenheid bij een stichting die op zijn woonadres was gevestigd. Appellant had onder meer geweigerd uitleg te geven over contante geldopnames en bankoverschrijvingen, met een beroep op zijn privacy.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur niet expliciet had gevraagd om uitleg over twee overschrijvingen van een opgeheven bankrekening naar zijn ING-rekening, waardoor dit niet tegen appellant kon worden gebruikt. Dit leidde echter niet tot vernietiging van de uitspraak.
Verder was het vragen naar de besteding van negen contante opnames van € 500,- gerechtvaardigd vanwege het gewijzigde opnamepatroon vlak voor de aanvraag, wat relevant was voor de beoordeling van de bijstandbehoevendheid. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen informatie kon geven over deze opnames.
Ten aanzien van de stichting was het aan appellant om zijn betrokkenheid te verduidelijken, aangezien de stichting volgens Suwinet op zijn woonadres was gevestigd. Het dagelijks bestuur hoefde niet te bewijzen dat appellant eigenaar was. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de stichting niet op zijn adres was gevestigd of dat hij geen betrokkenheid had.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.