ECLI:NL:CRVB:2025:1896

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
23/433 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag om bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over financiële situatie en betrokkenheid bij stichting

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om bijstand door het dagelijks bestuur van Laborijn. De appellant had zijn aanvraag om bijstand ingediend, maar het dagelijks bestuur weigerde deze op basis van onvoldoende duidelijkheid over zijn financiële situatie en zijn betrokkenheid bij een stichting. De appellant voerde aan dat zijn privacy was geschonden door het dagelijks bestuur, dat informatie had gevraagd over contante opnames en zijn betrokkenheid bij de stichting. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur niet had aangetoond dat de appellant eigenaar was van de stichting, maar dat het aan de appellant was om inzicht te geven in zijn betrokkenheid bij de stichting. De Raad bevestigde dat de appellant niet voldoende had aangetoond dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, en dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand bleef. De uitspraak van de rechtbank Gelderland werd bevestigd, en de appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

23/433 PW
Datum uitspraak: 16 december 2025
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 januari 2023, 22/3088 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Laborijn (dagelijks bestuur)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn financiële situatie en over zijn betrokkenheid bij een stichting en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat het dagelijks bestuur zijn recht op privacy heeft geschonden door uitleg te vragen over negen contante opnames van € 500,- en dat het dagelijks bestuur moet bewijzen dat appellant eigenaar is van een stichting die volgens Suwinet is gevestigd op het adres van appellant. Deze beroepsgronden slagen niet.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. Ook heeft het dagelijks bestuur schriftelijke vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 september 2025. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G. Kelderman.

OVERWEGINGEN

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving van het dagelijks bestuur vanaf 5 januari 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand vanaf 2 juli 2021 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken op de grond dat appellant – onder andere – niet het gevraagde openingsbewijs en de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt van zijn ABN AMRO-rekening.
1.2.
Op 14 december 2021 heeft appellant zich gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. In zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij een ING-rekening met een saldo van € 2.139,- heeft en een spaarrekening met een saldo van € 3.600,-.
1.3.
Het dagelijks bestuur heeft appellant met brieven van 7 januari 2022 en 17 januari 2022 verzocht om – voor zover in deze zaak van belang – bankafschriften en een opheffingsbewijs van zijn inmiddels opgeheven ABN AMRO-rekening in te leveren. Ook is appellant verzocht een toelichting te geven op de besteding van negen contante opnames van € 500,- en een overschrijving van € 2.400,- van zijn ING-rekening naar de bankrekening van de [naam Stichting] (stichting). Met een brief van 17 januari 2022 heeft appellant laten weten dat hij geen afschriften van de ABN AMRO-rekening kan verstrekken, omdat die bankrekening is opgeheven en dat hij geen verklaring zal geven over hoe hij zijn geld heeft gebruikt, omdat dit in strijd is met zijn recht op privacy.
1.4.
Met brieven van 26 januari 2022 en 11 februari 2022 heeft het dagelijks bestuur appellant nogmaals verzocht de onder 1.3 genoemde informatie te verstrekken. Verder heeft het dagelijks bestuur appellant verzocht om gegevens over te leggen over de op zijn woonadres ingeschreven stichting. Appellant heeft vervolgens – voor zover in deze zaak van belang – een aanslag 2020 Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet overgelegd en gegevens over de opheffing van zijn ABN AMRO-rekening.
1.5.
Met een besluit van 23 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 31 mei 2022 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur, zoals ter zitting nader toegelicht, ten grondslag gelegd dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over twee bedragen die vanaf de opgeheven ABN AMRO-rekening zijn overgeschreven naar zijn ING-rekening, over negen contante opnames van € 500,- van zijn ING-rekening en over zijn betrokkenheid bij de stichting. Daardoor heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 11 van de PW.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regel die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Algemeen
4.1.
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 14 december 2021, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 23 februari 2022, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).
4.2.
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
4.3.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. Dit is vaste rechtspraak. [1]
Bijschrijvingen ABN AMRO-rekening
4.4.
Niet meer in geschil is dat de ABN AMRO-rekening van appellant op 5 september 2021 is opgeheven
.Verder blijkt uit het door appellant overgelegde transactieoverzicht van zijn ING-rekening dat vanaf de opgeheven ABN AMRO-rekening twee bedragen zijn bijgeschreven op de ING-rekening van appellant, te weten op 3 december 2021 een bedrag van € 1.400,- en op 5 december 2021 een bedrag van € 1.796,52. Wat appellant op dit punt heeft aangevoerd komt erop neer dat het dagelijks bestuur appellant niet expliciet heeft verzocht om informatie over die overschrijvingen te verstrekken en hem dus niet kan tegenwerpen dat hij die informatie niet heeft verstrekt. Deze beroepsgrond slaagt.
4.4.1.
Vaststaat dat het dagelijks bestuur appellant niet heeft verzocht om uitleg te geven over het feit dat vanaf de opgeheven ABN AMRO-rekening twee bedragen zijn overgeschreven naar zijn ING-rekening. Daarom kan het dagelijks bestuur niet aan besluitvorming ten grondslag leggen dat appellant daarover geen duidelijkheid heeft gegeven. Anders dan het dagelijks bestuur meent, was appellant niet gehouden om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de twee bedragen die vanaf de opgeheven ABN AMRO-rekening waren overgeschreven naar zijn ING-rekening.
4.4.2.
Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Dat volgt uit wat hierna wordt overwogen.
Contante opnames ING-rekening
4.5.
Vaststaat dat appellant in de periode vanaf 30 juli 2021 negen keer kort na elkaar een bedrag van € 500,- heeft opgenomen van zijn ING-rekening (negen contante opnames). Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat informatie over deze opnames van belang kan zijn voor de beoordeling of appellant in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
4.6.
Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur zijn recht op privacy heeft geschonden door uitleg te vragen over de besteding van de negen contante opnames. Verder heeft appellant aangevoerd – naar de Raad begrijpt als subsidiaire grond – dat het college alleen financiële gegevens mag opvragen over een periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag en dat hij dus geen uitleg hoefde geven over de contante opnames die hij meer dan drie maanden voor de aanvraag heeft gedaan. Daarnaast heeft appellant aangevoerd – naar de Raad begrijpt als meer subsidiaire grond – dat hij niet meer weet wat hij met het opgenomen geld heeft gedaan. Deze beroepsgronden slagen niet.
4.6.1.
Het dagelijks bestuur heeft appellant verzocht informatie te verstrekken over de reden van de contante geldopnames en het gebruik van die opnames. Dit onderzoeksmiddel maakt inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant. De algemene onderzoeksbevoegdheid van artikel 53a van PW biedt daarvoor een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het vragen naar de reden van de geldopnames en het gebruik daarvan is een beperkte en, gelet op het daarmee te dienen doel, te weten de beoordeling van de bijstandbehoevendheid van appellant, in beginsel aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellant.
4.6.2.
De bijstandverlenende instantie kan in het kader van een gericht onderzoek naar de financiële situatie van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden. Dit is het geval indien redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, waardoor twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Dit is vaste rechtspraak. [2] Dit geldt ook voor andere financiële gegevens. Deze situatie doet zich hier voor. Dit wordt hierna toegelicht.
4.6.3.
Uit de bankafschriften van de ING-rekening van appellant kwam naar voren dat zijn opnamepatroon in de periode kort voor zijn aanvraag om bijstand sterk was gewijzigd door de negen contante opnames vanaf eind juli 2021 kort na elkaar. Dat gewijzigde opnamepatroon kort voor de aanvraag roept vragen op die samenhangen met de beoordeling van de bijstandbehoevendheid van appellant, bijvoorbeeld wat zijn vermogenspositie betreft. Het dagelijks bestuur moet daarom kunnen controleren wat er met deze opnames is gebeurd. Alleen al om die reden mocht het dagelijks bestuur ook informatie bij appellant opvragen over de contante opnames van meer dan drie maanden voor de aanvraag.
4.6.4.
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen inlichtingen meer kan verstrekken over de besteding van de negen contante opnames. De enkele stelling dat hij niet meer weet wat hij met het geld heeft gedaan is daarvoor onvoldoende.
Stichting
4.7.
In Suwinet – Suwi Bedrijvenregister – is geregistreerd, onder verwijzing naar gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK), dat de stichting sinds [datum] 2021 is gevestigd op het woonadres van appellant.
4.8.
Niet langer in geschil is dat de aanslag Zorgverzekeringswet 2020 ten onrechte aan appellant is verstuurd en dat daarom daaruit niet afgeleid kan worden dat appellant als zelfstandige bij de stichting betrokken was.
4.9.
Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur moet bewijzen dat hij eigenaar is van de stichting. Volgens appellant heeft het dagelijks bestuur dit bewijs niet geleverd met de gegevens uit Suwinet. Appellant verwijst hiervoor naar een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 10 maart 2023 (KvK-uittreksel) en een e-mailbericht van de [naam Foundation] van 23 maart 2023 (e-mailbericht). Daarnaast klopt het volgens appellant niet dat hij € 2.400,- heeft overgemaakt aan de stichting. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
4.9.1.
Een bestuursorgaan mag in beginsel uitgaan van de juistheid van de in Suwinet opgenomen gegevens. Dit is vaste rechtspraak. [3] Voor zover appellant stelt dat de informatie uit Suwinet onjuist is, ligt het op zijn weg om dat aannemelijk te maken. Dat heeft appellant niet gedaan. Dat wordt hierna toegelicht.
4.9.2.
In het KvK-uittreksel is opgenomen dat X sinds [datum] 2021 bestuurder van de stichting is, en is een adres in [plaats] als bezoekadres vermeld. Het KvK-uittreksel geeft echter geen uitsluitsel over de statutaire zetel van de stichting, omdat de statutaire zetel onleesbaar is gemaakt. Daarom valt uit het KvK-uittreksel niet af te leiden dat het in Suwi Bedrijvenregister opgenomen vestigingsadres van de stichting – het woonadres van appellant – onjuist is.
4.9.3.
In het e-mailbericht staat alleen dat bij de [naam Foundation] als adres van de stichting nooit het woonadres van appellant is geregistreerd, maar altijd het ook in het KvK-uittreksel genoemde bezoekadres in [plaats] . Ook dit e-mailbericht geeft dus geen uitsluitsel over de statutaire zetel en het vestigingsadres van de stichting, en ook daaruit kan dus niet worden afgeleid dat het in Suwi Bedrijvenregister opgenomen vestigingsadres van de stichting onjuist is.
4.9.4.
Het dagelijks bestuur hoeft niet te bewijzen dat appellant eigenaar is van de stichting. Ervan uitgaande dat de stichting in de te beoordelen periode op het woonadres van appellant was gevestigd, is het aan appellant, ter beoordeling van zijn bijstandbehoevendheid, om inzicht te geven in zijn betrokkenheid bij de stichting. Appellant heeft dat niet gedaan.
4.9.5.
Daarbij komt nog dat volgens het door appellant overgelegde transactieoverzicht van zijn ING-rekening op 13 december 2021 € 2.400,- is overgeschreven van deze rekening naar de bankrekening van de stichting met een nummer dat eindigt op *[nr].
4.9.6.
Volgens appellant gaat het om een typefout omdat dit ING-rekeningnummer niet van de stichting is, maar van het bedrijf [naam bedrijf] , dat bij appellant een keukenrenovatie heeft uitgevoerd. Appellant heeft een e-mailbericht van [naam bedrijf] van 20 maart 2020 overgelegd, waarin bevestigd wordt dat dit bedrijf een opdracht tot keukenrenovatie van appellant heeft gekregen, maar dat die renovatie nog niet kan plaatsvinden in verband met de coronamaatregelen. Ook heeft appellant een bankafschrift van zijn ING-rekening overgelegd met een overschrijving op 15 januari 2023 van € 1,- naar [naam bedrijf] met het ING-rekeningnummer dat eindigt op *[nr]. Het dagelijks bestuur heeft vervolgens bij [naam bedrijf] geverifieerd of het betreffende ING-rekeningnummer van dit bedrijf is. [naam bedrijf] hebben met een e-mailbericht van 16 maart 2023 laten weten dat dit bedrijf alleen gebruik maakt van een Rabobank-rekening. Appellant heeft daarop nog een e-mailbericht van de [naam Foundation] van 27 maart 2023 overgelegd waarin is vermeld dat het ING-rekeningnummer dat eindigt op *[nr] niet van de stichting is.
4.9.7.
Hoewel appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij [naam bedrijf] opdracht heeft gegeven voor een keukenrenovatie, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het op 13 december 2021 overgeschreven bedrag van € 2.400,- betrekking heeft op die keukenrenovatie. Zo ontbreekt een verklaring van [naam bedrijf] dat dit bedrijf het bedrag van € 2.400,- op 13 december 2021 op haar rekening heeft ontvangen voor de keukenrenovatie bij appellant. Ook is nog steeds onduidelijk hoe het precies zit met het ING-rekeningnummer dat eindigt op *[nr] waarop dat bedrag is bijgeschreven. Hier komt bij dat de door beide partijen overgelegde gegevens over dat rekeningnummer dateren van ruim na de te beoordelen periode. Het is daarom niet vast te stellen dat de ING-rekening waarop het bedrag van € 2.400,- is ontvangen op 13 december 2021 niet van de stichting was.

Conclusie en gevolgen

4.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M.F. Wagner en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van L. van Beelen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) L. van Beelen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regel

Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet
Ieder in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2789.