ECLI:NL:RBZWB:2026:6078

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/191 en 24/192
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen proceskostenveroordeling in bezwaarprocedure afvalstoffenheffing en WOZ-beschikking

De heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom maakte bezwaar tegen aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing, zuiveringsheffing en de WOZ-beschikking over 2021 en 2022. De bezwaren werden door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn, waarna de aanslagen ambtshalve werden gehandhaafd.

De gemachtigde van belanghebbende stelde dat de aanslagen onterecht aan belanghebbende waren gericht omdat hij slechts een kamer huurde. De heffingsambtenaar vroeg om een huurovereenkomst, die pas later werd overgelegd, waarna de aanslagen werden vernietigd. De rechtbank verklaarde de beroepen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten.

De heffingsambtenaar stelde verzet in tegen deze proceskostenveroordeling, stellende dat de bezwaren te laat waren ingediend en dat de ambtshalve correctie terecht was. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte bij de voorbereiding van de aanslagen en dat de beroepen inhoudelijk gegrond waren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet van de heffingsambtenaar is ongegrond verklaard en de proceskostenveroordeling blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/191 en 24/192

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom, de heffingsambtenaar

tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2025 in het geding tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 november 2025 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard en de heffingsambtenaar heeft veroordeeld in de proceskosten.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Procesverloop

2. Belanghebbende heeft op 20 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing en zuiveringsheffing over het jaar 2021 met [aanslagnummer 1] en de WOZ-beschikking 2022 en de aanslagen
afvalstoffenheffing, rioolheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing 2022 met
[aanslagnummer 2] voor het object [adres] in [plaats] .
2.1.
Op 21 november 2023 heeft de heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze buiten de bezwaartermijn zijn ingediend. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ambtshalve beoordeeld en de aanslagen gehandhaafd.
2.2.
Op 28 november 2023 heeft gemachtigde aangegeven dat de aanslagen onterecht naar belanghebbende zijn verzonden, omdat belanghebbende slechts een kamer huurde. De heffingsambtenaar hier op gereageerd dat zij uit het bezwaarschrift van belanghebbende begreep dat het bezwaar erop zag dat hij niet op het adres woonachtig was. De heffingsambtenaar verzoekt gemachtigde om een huurovereenkomst te overleggen.
2.3.
Gemachtigde is het hier niet mee eens, omdat de heffingsambtenaar kan nagaan wie eigenaar en huurder is van het pand. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat het aan (de gemachtigde van) belanghebbende is om aan te tonen dat sprake is van kamerverhuur. Aangezien gemachtigde hier niet op heeft gereageerd, heeft de heffingsambtenaar op 3 januari 2024 de correspondentie van gemachtigde aangemerkt als beroepschrift en doorgezonden aan de rechtbank.
2.4.
Op 19 januari 2024 heeft gemachtigde alsnog de huurovereenkomst aan de heffingsambtenaar gestuurd. De heffingsambtenaar heeft vervolgens beide aanslagen vernietigd.
2.5.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 10 november 2025 de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen procesbelang meer is. In de reden voor het vervallen van het procesbelang, heeft de rechtbank grond gezien om over te gaan tot een proceskostenveroordeling van € 907,- en vergoeding van het griffierecht. De heffingsambtenaar heeft hiertegen verzet ingesteld. Belanghebbende is verzocht op het verzet te reageren, maar heeft niet gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn en de heffingsambtenaar terecht is veroordeeld tot een proceskostenvergoeding. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
De heffingsambtenaar is het niet eens met de proceskostenveroordeling. Om een proceskostenvergoeding te kunnen toekennen moet sprake zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat te laat bezwaar is gemaakt en op basis van de op dat moment tot beschikking staande gegevens geen aanleiding was om tot ambtshalve correctie over te gaan. De informatie die benodigd was om tot een ander oordeel te komen is desgevraagd niet door (de gemachtigde van) belanghebbende toegezonden. Pas nadat gemachtigde in de beroepsprocedure de huurovereenkomst heeft overgelegd kon worden vastgesteld dat de aanslagen onjuist waren. Indien (de gemachtigde van) belanghebbende direct op het verzoek had gereageerd dan was het niet tot een beroepsprocedure gekomen.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar de aanslagen zorgvuldiger had moeten voorbereiden, aangezien het gebrek aan zorgvuldigheid heeft geleid tot eerdergenoemd procesverloop. De omstandigheid dat er pas later bewijs naar boven komt, betekent niet dat de heffingsambtenaar – zoals gemachtigde terecht stelt – niet aan de hand van de bekende gegevens had kunnen zien dat sprake is van kamerverhuur.
3.4.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar er ten onrechte van uit is gegaan dat belanghebbende in bezwaar aanvoerde dat hij niet op het adres woonachtig was. De bezwaren waren immers tegenstrijdig, aangezien belanghebbende aangaf zowel geen gebruiker als verhuurder te zijn. De rechtbank ziet in de gang van zaken niet dat de feitelijke situatie voldoende is uitgevraagd, voordat de uitspraken op bezwaar zijn gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de heffingsambtenaar naar de reden van de termijnoverschrijding heeft gevraagd. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat de heffingsambtenaar nadat de uitspraken op bezwaar zijn genomen nog om aanvullende gegevens heeft gevraagd.
3.5.
Aangezien de heffingsambtenaar in beroep tegemoet is gekomen aan de bezwaren van belanghebbende moet ervan worden uitgegaan dat de beroepen om inhoudelijke redenen gegrond waren. [2] De rechtbank is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten. Het verzet is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

4. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vgl. Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399.