ECLI:NL:RBZWB:2026:6082

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
BRE 24/7045
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen proceskostenveroordeling in belastingzaak ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 6 februari 2026 waarin de rechtbank uitspraak deed over een proceskostenveroordeling in een belastingzaak. De rechtbank beoordeelt uitsluitend of de proceskostenveroordeling terecht is opgelegd en of de overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve had moeten worden beoordeeld.

De rechtbank stelt vast dat de ontvanger van de Belastingdienst met de uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2024 volledig tegemoet is gekomen aan het bezwaar van belanghebbende. De rechtbank heeft de ontvanger bij afzonderlijke uitspraak veroordeeld tot proceskosten, maar niet tot vergoeding van het griffierecht, omdat de wet dit niet toestaat. Wel is de ontvanger gehouden het griffierecht te vergoeden omdat het beroep is ingetrokken na tegemoetkoming.

Belanghebbende stelde dat de rechtbank ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn had moeten beoordelen. De rechtbank oordeelt dat de termijn eindigt bij intrekking van het beroep en dat de periode tussen intrekking en uitspraak over proceskosten niet meetelt. Er is geen overschrijding van de redelijke termijn. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7045

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
1.1.
Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat de ontvanger tot het juiste bedrag aan proceskosten is veroordeeld. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1.
Gemachtigde voert aan dat in de overwegingen is opgenomen dat het griffierecht moet worden vergoed, maar dat dit niet in het dictum staat. Gemachtigde stelt zich verder op het standpunt de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve had moeten beoordelen.
2.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
3. De rechtbank constateert dat gemachtigde het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingetrokken omdat de ontvanger met de uitspraak op bezwaar van 8 oktober 2024 volledig aan het bezwaar van belanghebbende is tegemoetgekomen. De rechtbank heeft de ontvanger bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten veroordeeld. [2] Op grond van vaste jurisprudentie kan deze uitspraak niet strekken tot het veroordelen van de ontvanger tot het aan belanghebbende vergoeden van het griffierecht. [3] De wet biedt immers niet de mogelijkheid om de ontvanger daartoe te gelasten. [4] De rechtbank heeft dit dan ook terecht niet in het dictum opgenomen. Deze grond slaagt niet. Voorgaande neemt echter niet weg dat, nu is tegemoetgekomen aan het beroep, de ontvanger gehouden is het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft op 30 november 2023 bezwaar gemaakt en op 23 juli 2024 beroep ingesteld wegens het niet (tijdig) nemen van een uitspraak op bezwaar. De ontvanger heeft op 8 oktober 2024 op het bezwaar beslist. Op 31 oktober 2024 heeft gemachtigde het beroep ingetrokken met het verzoek de ontvanger te veroordelen in de proceskosten. Op 6 februari 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het verzoek om een proceskostenveroordeling.
4.1.
Belanghebbende stelt in verzet dat de rechtbank ambtshalve de overschrijding van de redelijke termijn had moeten beoordelen. De rechtbank stelt voorop dat om vergoeding van immateriële schade moet worden verzocht. [5] Een dergelijk verzoek kan echter ook nog in de verzetsprocedure worden gedaan. De rechtbank overweegt het volgende.
4.2.
De door een belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moet worden geacht ten einde te zijn gekomen op het moment dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen. Dit betekent dat de termijn eindigde op het moment dat gemachtigde het beroep heeft ingetrokken. De tijd tussen de intrekking van het beroep en de uitspraak van de rechtbank over de proceskostenvergoeding telt dan ook niet mee in de termijnberekening. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke behandeltermijn. [6]

Conclusie en gevolgen

5. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 februari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het verzoek om een immateriëleschadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • wijst het verzoek om een immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:75a van de Awb.
3.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 mei 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1982, r.o. 4.7.
4.Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3278, r.o. 1.5, Hoge Raad 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:399, r.o. 2.4.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.1.
6.Hoge Raad 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1128