ECLI:NL:RBZWB:2026:6168

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
26/355 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij arbeidsverplichting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers om hem niet te ontheffen van zijn arbeidsverplichting. Dit betrof een besluit over een afgesloten periode in het verleden. Tijdens de zitting op 8 juli 2026, waarin ook een andere zaak tussen partijen werd behandeld, is gebleken dat er inmiddels overeenstemming is bereikt over de arbeidsverplichtingen van eiser.

De rechtbank heeft beoordeeld of eiser voldoende procesbelang heeft bij het beroep. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang aanwezig als het met het beroep beoogde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. Nu het geschil betrekking heeft op een afgesloten periode en er overeenstemming is, ontbreekt het aan een actueel en reëel belang.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is mondeling gedaan en op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter M. Breeman.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/355 PW
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers(Baanbrekers), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering hem te ontheffen van de arbeidsverplichting.
1.1.
Met het bestreden besluit van 4 december 2025 op het bezwaar van eiser is Baanbrekers bij dat besluit gebleven.
1.2.
Baanbrekers heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen op 8 juli 2026 op zitting behandeld, tegelijk met een andere zaak tussen partijen met zaaknummer 26/356. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens Baanbrekers mr. Y. Dogan.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2. Volgens vaste rechtspraak [1] is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
2.1.
Ter zitting is gebleken dat de discussie gaat over een afgesloten periode in het verleden. Inmiddels is er overeenstemming tussen eiser en Baanbrekers over zijn arbeids-verplichtingen. De rechtbank ziet niet in welk feitelijk belang eiser op dit moment nog heeft bij een oordeel over zijn arbeidsverplichtingen in een afgesloten periode in het verleden.
2.2.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijk beoordeling van het beroep.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1967.