ECLI:NL:CRVB:2024:1967

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
23/1669 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij opleggen arbeidsverplichting

Appellant ontvangt sinds 2006 bijstand en heeft sinds 2016 deelgenomen aan diverse re-integratietrajecten, waaronder bij De Werkmeester, die hij niet succesvol heeft afgerond. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen legde appellant in 2019 een maatregel op vanwege het niet meewerken aan een traject, wat leidde tot bezwaar- en beroepsprocedures.

In een eerdere uitspraak van 8 oktober 2024 oordeelde de Raad dat het college geen maatwerk had geleverd in het traject bij De Werkmeester. Appellant stelde in hoger beroep dat een e-mail van 24 januari 2022 een besluit was waarop bezwaar mogelijk was, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het geen besluit betrof.

De Raad stelt ambtshalve vast dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep omdat het beoogde resultaat al in eerdere uitspraak is bereikt. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

23/1669 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 mei 2023, 22/1091 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 15 oktober 2024

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak in essentie om de vraag of een e-mailbericht met betrekking tot een reintegratietraject een besluit is. Appellant wil bereiken dat wordt vastgesteld dat het college met het aan hem opgelegde traject geen maatwerk heeft geleverd. De Raad heeft in een uitspraak van 8 oktober 2024 geoordeeld dat het college met het betreffende traject geen maatwerk heeft geleverd. Daarvan uitgaande is niet in geschil dat appellant in deze zaak geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2024. Voor appellant is mr. Dassen-Vranken verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.H.M. Kwaadvlieg.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 23 februari 2006 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet, naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant heeft sinds eind 2016 aan een aantal trajecten gericht op re-integratie deelgenomen. Appellant heeft deze trajecten niet succesvol afgerond.
1.3.
Op 23 april 2019 heeft appellant een intakegesprek gehad met re-integratiebedrijf De Werkmeester. De afspraken die De Werkmeester toen met appellant heeft gemaakt zijn vastgelegd in een trajectplan. Appellant heeft dit trajectplan op zijn eerste werkdag, 29 april 2019, ondertekend. Nadat appellant op 29 april 2019 is gestart met het traject heeft hij zich diverse malen ziek gemeld.
1.4.
Met een brief van 4 juli 2019 heeft het college appellant bericht dat De Werkmeester in opdracht van de gemeente Heerlen samen met appellant een plan heeft gemaakt om zijn mogelijkheden om werk te vinden te vergroten en dat het niet of onvoldoende meewerken aan dat plan gevolgen kan hebben voor de uitkering van appellant.
1.5.
Appellant heeft zich op 5 juli 2019 ziekgemeld bij De Werkmeester. De consulente van appellant heeft hem met een e-mailbericht van 31 juli 2019 bericht dat hij op 1 augustus 2019 weer aanwezig dient te zijn bij De Werkmeester omdat hij – gelet op een advies van de GGDarts – zijn werkzaamheden kan hervatten.
1.6.
Het college heeft vervolgens met een besluit van 22 augustus 2019, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 8 januari 2020, appellant een maatregel opgelegd omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van een door het college aangeboden voorziening. De hierop gevolgde procedure heeft uiteindelijk geleid tot een zitting bij de Raad op 4 juni 2024, zaak 21/1003 PW, waarin de Raad uitspraak heeft gedaan op 8 oktober 2024. De Raad heeft in deze uitspraak – onder meer – geoordeeld dat het college ten aanzien van appellant met het aangeboden traject bij De Werkmeester geen maatwerk heeft geleverd.
1.7.
De consulente van appellant heeft hem met een e-mailbericht van 24 januari 2022 bericht dat hij op 31 januari 2022 aanwezig dient te zijn bij De Werkmeester om zijn werkzaamheden te hervatten.
1.8.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het e-mailbericht van 24 januari 2022. Met een besluit van 20 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het emailbericht van 24 januari 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het e-mailbericht van 24 januari 2022 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het standpunt van appellant
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort gezegd komt dit er op neer dat het e-mailbericht van 24 januari 2022 een besluit is.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellant met het instellen van het hoger beroep nog voldoende procesbelang heeft in deze zaak. Het resultaat dat appellant met zijn hoger beroepschrift nastreeft moet hij namelijk ook daadwerkelijk kunnen bereiken en het realiseren van dat resultaat moet voor hem feitelijke betekenis hebben. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.1.
Appellant heeft toegelicht dat hij met het hoger beroep wenst te bereiken dat wordt vastgesteld dat het college met het opleggen van het traject bij De Werkmeester geen maatwerk heeft geleverd, maar ook dat dit belang komt te vervallen als de Raad naar aanleiding van de in 1.6 genoemde en op 4 juni 2024 behandelde maatregelzaak zou oordelen dat het college ten aanzien van appellant met het aangeboden traject bij De Werkmeester geen maatwerk heeft geleverd. Omdat de Raad in zijn uitspraak van 8 oktober 2024 tot dit oordeel is gekomen, gaat de Raad er in deze procedure van uit dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een oordeel over het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk is.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van S. van Pelt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) S. van Pelt

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4265.