ECLI:NL:RBZWB:2026:6185

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/2589 en BRE 26/3488
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:14 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden te beslissen op WIA-bezwaren en legt dwangsom op

Stichting Bravis Ziekenhuis heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op bezwaren tegen WIA-uitkeringsbesluiten van een ex-werkneemster. De rechtbank heeft de zaken samen gevoegd en zonder zitting behandeld.

De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden ondanks ingebrekestelling. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt en dat onduidelijk is wanneer een besluit kan worden genomen.

De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog te beslissen, rekening houdend met zorgvuldigheid en het belang van tijdige besluitvorming. Tevens legt zij een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, die pas stopt als op beide bezwaren is beslist.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.

Uitkomst: Het UWV moet binnen vier maanden beslissen op de WIA-bezwaren en betaalt een dwangsom van maximaal €15.000 bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/2589 en BRE 26/3488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2026 in de zaak tussen

Stichting Bravis Ziekenhuis, uit Roosendaal, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2024 en het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2024. Deze besluiten hebben betrekking op de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van [ex-werkneemster] , een (ex)werkneemster van eiseres.
1.1.
Om proceseconomische redenen heeft de rechtbank de zaken BRE 26/2589 en BRE 26/3488 gevoegd. Dit kan de bestuursrechter bij zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp doen op grond van artikel 8:14 van Pro de Awb.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 17 oktober 2025 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestellingen op 20 oktober 2025 ontvangen en sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 26 mei 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is. Tevens geeft het UWV aan dat het momenteel nog onduidelijk is wanneer er een besluit afgegeven kan worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de bezwaren te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de bezwaren.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Bezwaarschriften kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. [2] De rechtbank is van oordeel dat de twee bezwaarschriften tegen de besluiten van 7 en 31 oktober 2024 zodanig met elkaar samenhangen, dat het UWV één rechterlijke dwangsom verbeurt. De besluiten waartegen bezwaar is gemaakt hebben allebei betrekking op de uitkering van de (ex-)werkneemster en zijn op grond van dezelfde wettelijke regeling en (grotendeels) hetzelfde feitencomplex gemaakt.
5.1.
De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV, met een maximum van € 15.000,-. Hierbij geldt wel dat de dwangsom pas stopt met lopen als op allebei de bezwaarschriften is beslist.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5.1. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de bezwaren van eiseres bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 10 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, onder rechtsoverweging 5.1 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1815, onder rechtsoverweging 4.2.3.